nationaal brandweer documentatie centrum

Cindu 8 juli 1992: een procesmatige analyse van een crisis – hoofdstuk 5: bevolking

Samenvatting
5.1 De bewoners aan het woord: resultaten van het bevolkingsonderzoek
5.2 Evacuatie: onzekerheid versus zekerheid
5.3 Opvangcentra en slachtoffers

Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt aan de omwonenden en de andere inwoners van Uithoorn en omgeving aandacht geschonken. Hoe hebben zij de dag van de ramp ervaren? In de eerste paragraaf worden de resultaten van het bevolkingsonderzoek gepresenteerd. Uit dit onderzoek spreekt een grote mate van zelfredzaamheid van de burgers. In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de problematiek van evacueren en hoe dat op 8 juli inhoud kreeg. Het hoofdstuk wordt afgesloten met informatie over het opvangcentrum (paragraaf 3).
5.1 De bewoners aan het woord: resultaten van het bevolkingsonderzoek
In deze paragraaf bespreken we de resultaten van het onderzoek onder de bevolking in de directe omgeving van Cindu, de bevolking van Uithoorn en omgeving en de agrariërs uit Amstelhoek en Bovenkerker polder. In totaal zijn 180 huishoudens ondervraagd, waarvan 37 direct omwonenden, 124 bewoners van Uithoorn en omgeving, en 19 agrariërs.

Representativiteit
De direct omwonenden zijn allen persoonlijk benaderd. In totaal waren er 35 bereid mee te werken aan het onderzoek. Veertig omwonenden waren niet aanwezig of niet geïnteresseerd. De non-response onder de direct omwonenden is daarmee 53%. Het feit dat de enquête midden in de vakantieperiode is gehouden kan van invloed geweest zijn op dit percentage. Ook alle agrariërs in de directe omgeving van Cindu zijn (telefonisch) benaderd. Onder hen bedroeg de non-response slechts 5% (één bedrijf). De bewoners van Uithoorn zijn steekproefsgewijs telefonisch genquêteerd. Daarbij is representativiteit nagestreefd door respondenten aselect met behulp van het telefoonboek te kiezen. De gegevens met betrekking tot sekse geven echter aan dat vrouwen enigszins oververtegenwoordigd zijn: de landelijke verhouding is 51% vrouwen tegen 49% mannen terwijl in onze steekproef de verhouding 57% tegen 43% is. De gemiddelde grootte van de huishoudens (2.7 personen) komt wèl ongeveer overeen met het landelijk gemiddelde (2.5).

Verschillende enquêtes
Er is één algemene enquête onder de drie verschillende bevolkingsgroepen gehouden. Daarnaast zijn aan de agrariërs nog enkele specifieke vragen met betrekking tot de gevolgen van de ramp voor hun bedrijfsvoering gesteld. Er is geënquêteerd op 27 juli (direct omwonenden) en in de periode van 3 tot en met 14 augustus (inwoners Uithoorn en agrariërs). Wij zullen eerst de resultaten van de algemene enquête bespreken, waarbij eventuele verschillen tussen de drie respondent-categorieën zullen worden aangegeven. Daarna zullen we de resultaten bespreken van de aanvullende enquête die onder de agrariërs is gehouden. Het komt voor dat bepaalde vragen door sommige respondenten niet zijn beantwoord. Daarom sommeren de percentages die hieronder worden weergegeven niet in alle gevallen tot 100%. De ontbrekende percentages weerspiegelen het aantal mensen dat op een bepaalde vraag geen antwoord heeft gegeven.

De algemene enquête : Aard en kwaliteit informatievoorziening door de overheid, Cindu en media

In het verleden
Het grootste deel van de respondenten (92.8%) zei nooit informatie te hebben ontvangen over de risico’s verbonden aan Cindu. 3.9% had wel eens informatie ontvangen van Cindu, en 0.6% van Cindu èn van de overheid. Of respondenten informatie hadden ontvangen bleek niet gerelateerd te zijn aan het aantal jaren dat men in Uithoorn woonde. Hetzelfde gold voor informatie afkomstig van de gemeente ten aanzien van de wijze waarop men diende te handelen bij rampen. Slechts 0.6% meldde hierover geïnformeerd te zijn. Aan de andere kant moet gesteld worden dat bewoners ook nooit expliciet verzocht hebben om informatie over veiligheid. De bevolking van Uithoorn associeerde Cindu met problemen op het gebied van milieu, niet met problemen ten aanzien van de veiligheid. 10% van de respondenten beweerde in het verleden bij Cindu geklaagd te hebben als gevolg van overlast van haar bedrijfsactiviteiten. De actiegroep Cindroom was al jarenlang actief om verdere milieuverontreiniging door Cindu tegen te gaan. Daarbij werd zijdelings aandacht besteed aan veiligheid. Veel verder dan het benadrukken van de noodzaak tot een rampbestrijdingsplan kwam het niet.
Twee dagen voor de ramp, op 6 juli 1992, waren vertegenwoordigers van de gemeente in overleg getreden met het vrijwillige lokale radiostation Rik om te spreken over een eventuele rol van radio Rik in rampsituaties. Het gesprek tussen de gemeente en het radiostation kende een oriënterend karakter. Definitieve beslissingen en afspraken hierover waren nog niet gemaakt.

Op de dag zelf
Relatief weinigen (26.1%) waren van de media en andere algemene informatiebronnen afhankelijk om op de hoogte te raken van het feit dat zich bij Cindu een explosie had voorgedaan. 60% van de ondervraagden hoorde de ontploffing zelf, en nog eens 13.9% hoorde ervan via buren, familie of vrienden. In de eerste uren na de explosie van 10.00 uur (tussen 10.00 en 12.00 uur) luisterden beduidend meer mensen (57.2%) naar de radio dan ervoor (35.6%). De lokale radio Rik bleek de meeste luisteraars te trekken (32.8%), gevolgd door de Hilversumse zenders (27.2%). Andere zenders werden elk door aanzienlijk minder mensen beluisterd. De televisie werd in de uren direct na de eerste explosie door relatief weinig mensen (20%) bekeken. Na twaalven nam dit percentage toe tot gemiddeld 42.9%. Daarbij was Nederland 3 met 65.5% van de kijkers veruit de meest populaire zender. Nog eens 21.7% heeft ook teletekst geraadpleegd. Iets minder dan de helft van de respondenten (46.7%) vond de kwaliteit van de berichtgeving door de media goed. 21.7% vond de berichtgeving slecht. Zij gaven aan dat er tegenstrijdige informatie en geruchten verspreid werden waardoor verwarring kon ontstaan. 9.4% had geen mening.
Slechts weinig respondenten bleken op de dag van de ramp informatie van de gemeente (13.7%) te hebben ontvangen. Een mogelijke verklaring van deze cijfers kan gevonden worden in het feit dat de oproepen aan de bevolking door burgemeester en wethouders vooral werden opgevat als reguliere nieuwsweergave. De inwoners van Uithoorn vatten de mededelingen van de burgemeester dan ook niet op als aanwijzingen hoe te handelen, maar vooral als een commentaar op de gebeurtenissen. De intentie van de uitlatingen van de burgemeester werden niet onderkend door de bevolking. Zij vatten de media-berichtgeving niet op als officiële berichten van de lokale overheid. Een uitzondering moet gemaakt worden voor de aanbeveling om ramen en deuren dicht te doen en te houden. Dit was door een groot deel van de bevolking opgevolgd. Een groot deel van de inwoners was verontwaardigd over het uitblijven van berichten van overheid en bedrijf. Slechts vier procent gaf te kennen in de loop van de dag door Cindu te zijn geïnformeerd. In de loop van de dag was er sprake van dat mensen geëvacueerd dienden te worden, omdat er gevaar voor de volksgezondheid zou dreigen. Vijf procent meldde hierover geïnformeerd te zijn. Uiteindelijk heeft er geen evacuatie plaatsgevonden.
De informatievoorziening en -verspreiding was geheel in handen van de gemeente. Het bedrijf gaf pas in een later stadium informatie. Tijdens de twee persconferenties op de 8e juli was er geen vertegenwoordiger van het bedrijf aanwezig. Pas de volgende dag werd door het bedrijf een persconferentie in het gemeentehuis gehouden.

De bewoners vertoonden over het algemeen twee reacties. Een klein deel van de bewoners wachtte geen verdere berichtgeving af en vertrok op eigen gelegenheid naar familie en kennissen buiten het invloedsgebied van Cindu. Een veel groter deel bleef thuis zitten wachten (veelal met de ramen en deuren dicht) tot nadere mededelingen van het bevoegd gezag. In de perceptie van veel bewoners bleven deze nadere mededelingen uit.

Met name in de eerste uren na de ramp bleek veel onduidelijkheid te bestaan over verschillende zaken. Hoeveel doden en gewonden waren er gevallen? Welke personen waren vermist? Waar was het opvangcentrum? Waren er giftige stoffen vrijgekomen? Het bericht dat er 10 doden waren gevallen veroorzaakte onrust. Het bericht werd niet door de overheidsinstanties ontzenuwd.

Burgers – gemeente en operationele diensten
Hadden inwoners van Uithoorn en omliggende gemeenten dan om informatie gevraagd tijdens de 8e juli? Het telefoonnet was al snel overbelast. Na de eerste explosie namen slechts weinigen contact op met hulpdiensten. Acht mensen (1.7%) belden 06-11, 1.1% nam contact op met de politie, en geen van de ondervraagden benaderde de gemeente, de brandweer, of de ambulancedienst. Meer mensen zochten contact met familie (29.4%) of met buren (18.3%). De meeste mensen (43.9%) namen geen contact op met anderen. Na de tweede explosie die plaatsvond rond 20.00 uur zien we een gelijksoortig beeld. Over het geringe aantal respondenten dat een hulpdienst probeerde te bellen, konden wij geen betrouwbare uitspraken doen met betrekking tot de bereikbaarheid van de hulpdiensten op de dag van de ramp. Hetzelfde gold voor de kwaliteit van de opvang in de daartoe ingerichte centra. Slechts twee respondenten waren naar opvangcentrum “De Kajuit” gegaan.
Uit de enquête bleek dat burgers probeerden familie te bereiken om te bezien of deze veilig waren. In eerste instantie werd onderzocht of de eigen familieleden in veiligheid waren, voordat andere activiteiten werden ondernomen. Slechts een enkeling had geprobeerd via 06-11 of direct de politie of brandweer te bereiken. De overbelasting van het telefoonnet was dan ook vooral te wijten geweest aan het vele telefoonverkeer tussen familieleden onderling.
Deze resultaten betekenen dat de burgers nauwelijks actief op zoek zijn gegaan naar informatie bij gemeente, politie of brandweer. In veel gevallen probeerde men informatie te verkrijgen door contact op te nemen met buren of door het aanspreken van passerende politiemensen. Deze politiemensen waren echter veelal ook niet op de hoogte. Zij wachtten op berichten, maar gingen daar niet zelf naar op zoek.

Communicatiemiddelen
De gemeente Uithoorn gebruikte in eerste instantie de media om de inwoners te informeren over de stand van zaken. In een klein gedeelte van Uithoorn was tevens gebruik gemaakt van geluidswagens. De boodschap van deze geluidswagens bleek echter nauwelijks te verstaan voor de inwoners van de desbetreffende wijk.

De boodschap van de geluidswagens was dat er geen noodzaak tot evacuatie bestond, maar dat de politie de bevolking aanraadde binnen te blijven en de ramen en deuren te sluiten. Vanwege de slechte kwaliteit van het omgeroepen bericht kwamen mensen naar buiten om te horen wat er gezegd werd. Het tegengestelde van wat de politie beoogde, werd op die manier verwezenlijkt.

De bewoners verweten de gemeente dat zij slecht op de hoogte werden gehouden en dat het imago van de gemeente door de persoptredens negatief beïnvloed zou zijn. Het gebrek aan informatie van de gemeente vormde een belangrijk element voor de conclusie van de bewoners dat de gemeente verbeteringen moet aanbrengen in de rampenbestrijding. Over het algemeen was men van mening dat het bedrijf Cindu het beter had gedaan dan de gemeente.
Velen lieten in de enquête blijken dat zij de “schuld” van het ongeval niet zo zeer bij het bedrijf Cindu als wel bij de gemeente leggen. “Cindu stond er al sinds 1922; de gemeente had nooit moeten toestaan dat in de directe omgeving van de fabriek huizen zouden worden gebouwd.”

Na de 8e juli
Ook in de weken na de ramp verstrekten de gemeente en Cindu niet op grote schaal informatie aan de bevolking en de agrariërs in de omgeving. 10.6 procent van de respondenten had informatie ontvangen van de gemeente en 19.4% van Cindu. Cindu informeerde de direct omwonenden. Van hen had 74.3% informatie van het bedrijf gehad, terwijl slechts 7.4% van de inwoners van Uithoorn en geen enkele agrariër iets van Cindu zegt te hebben vernomen (zie Figuur 1). Aangezien het bevolkingsonderzoek had plaatsgevonden in de periode van 27 juli tot en met 14 augustus, zeggen deze gegevens uitsluitend iets over de informatievoorziening in de eerste vijf weken na de ramp. Het is mogelijk dat daarna nog informatie door overheid en/of Cindu is verstrekt.
Een voorbeeld van de gebrekkige informatie na de ramp, uitte zich in de berichtgeving over de besmette groente.
Veel onduidelijkheid bestond over het eten van de groente die in en rond Uithoorn werd verbouwd. De gemeente Uithoorn had informatie over het niet eten van besmette groente achtergehouden vanwege de begrafenis van de slachtoffers. Pas een week na de ramp werd in de lokale media bekend gemaakt dat de groente niet gegeten mocht worden. Inmiddels hadden velen al de groente gegeten. De verontwaardiging daarover bij de bevolking was groot. Het bevestigde het beeld dat velen van de gemeente hadden: de informatievoorziening was gebrekkig verlopen. Het imago van de gemeente was daarmee nog verder aangetast.
Iets minder dan de helft van de respondenten (42.8%) zei in het algemeen tevreden te zijn over de informatievoorziening door de overheid en door Cindu, terwijl 28.9% zich ontevreden betoonde. Er bleek geen verband te bestaan tussen betrokkenheid bij Cindu en tevredenheid over de informatievoorziening door Cindu en door de overheid.

Maatregelen getroffen door de bevolking en schade
Er blijkt een verschil te bestaan tussen direct omwonenden, agrariërs en inwoners van Uithoorn voor wat betreft het treffen van veiligheidsmaatregelen. Een kleine meerderheid van de inwoners van Uithoorn (55.6%) had zelf veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals het sluiten van ramen en deuren naar aanleiding van de explosie. De meeste direct omwonenden (74.3%) en agrariërs (66.7%) hadden dit echter nagelaten, veelal omdat “de wind de andere kant op stond”, en omdat de autoriteiten na 12.00 uur expliciet vermeldden dat er geen gevaarlijke stoffen vrijgekomen waren. Direct omwonenden rapporteerden daarentegen wel in meerderheid (74.3%) hun activiteiten als gevolg van de explosie te hebben aangepast. Vaak betekende dit dat men niet naar het werk ging, maar thuis ging schoonmaken of gewoon “de boel in de gaten kwam houden”. Anderen meldden juist te zijn weggegaan, en velen gaven aan door de emoties “tot niets te zijn gekomen”.
In tegenstelling tot de direct omwonenden hadden de meeste inwoners van Uithoorn (67.8%) en agrariërs (61.1%) hun activiteiten niet aangepast. Dit verschil kan deels te wijten zijn aan het feit dat onder de direct omwonenden meer schadegevallen waren (13 huishoudens of 35.1%) dan onder de inwoners van Uithoorn en de agrariërs, die wat verder van de fabriek woonden (respectievelijk 1.6% en 5.3%). In totaal maakten 16 van de 180 respondenten melding van schade. De geschatte bedragen variëren van minder dan 500 gulden tot meer dan 10.000 gulden. Een dag na de ramp stelde de burgemeester een telefoonlijn open waar inwoners en bewoners van Uithoorn hun schade konden melden. 35.1% directe bewoners en 10.5% agrariërs maakten van het schade-aanmeldpunt gebruik. Over de verdere afwikkeling van de schade kwam weinig informatie naar buiten.
Toch hielden aanpassingen in de activiteiten niet altijd verband met geleden schade; er waren ook mensen die zich afvroegen of ze nog wel veilig konden gaan tennissen (Buitenveldertse Courant, 9 juli 1992) of zonnen (Amstelveens Weekblad, 22 juli 1992).
Verdere informatie kregen de inwoners van Uithoorn niet van de gemeente. Het bedrijf Cindu benaderde de omwonenden en alle werknemers direct via een brief om uitleg te geven over de ramp. Zelfs ex-werknemers werden geïnformeerd en daarbij gewezen op de mogelijkheid dat media-vertegenwoordigers hun wellicht zouden gaan bezoeken. Van een dergelijke actie was van de kant van de gemeente geen sprake. Voor de bewoners bleven de activiteiten en plannen van de gemeente in nevelen gehuld.

Kwaliteit optreden gemeente en Cindu
De meningen over de mate waarin de gemeente zich ingezet had voor de bewoners van Uithoorn zijn nogal verdeeld. 37.8% vond de inzet van de gemeente voldoende, 31.1% vond dat de gemeente zich onvoldoende heeft ingezet en 28.9% heeft geen mening. Direct omwonenden waren beduidend minder tevreden over de inzet van de gemeente dan inwoners van Uithoorn en agrariërs. 61.8% van de direct omwonenden vond de inzet van de gemeente onvoldoende en slechts 11.8% was wel voldoende tevreden. De overigen hadden geen mening. Van de inwoners van Uithoorn daarentegen vond 45.2% de inzet van de gemeente voldoende, 25% vond haar onvoldoende, en 29.8% had geen mening. Voor de agrariërs golden soortgelijke verhoudingen (respectievelijk 44.8%, 22.2% en 33.3%)(zie figuur 2).

De meeste respondenten hadden hun mening over de gemeente niet gewijzigd na de ramp bij Cindu.
Over de kwaliteit van het optreden van Cindu bestond meer eensgezindheid. De helft van de respondenten (50.6%) vond dat Cindu goed had opgetreden. Een aanzienlijk kleiner aantal vond het optreden van Cindu matig (10.6%) of slecht (6.7%) en 28.9% had geen mening. Er bleek een verband te bestaan tussen het feit of respondenten banden met Cindu hadden en hun oordeel over de kwaliteit van het optreden van Cindu bij de explosie. 77.8% van degenen die banden met Cindu hadden vond het optreden goed, tegen slechts 47.6% van degenen die geen banden hadden. Onder respondenten zonder banden met Cindu kwam het ook vaker voor dat men geen mening over het optreden had (33.3 versus 11.1%). De meeste respondenten (78.3%) wijzigden hun mening over Cindu na het ongeluk niet. Twintig procent deed dat wel. Betrokkenheid bij Cindu bleek geen verband te houden met veranderingen van mening over Cindu.

De enquête onder de agrariërs
Aan de agrariërs waren naast de vragen uit de algemene enquête nog enkele specifieke vragen gesteld met betrekking tot gevolgen van de ramp bij Cindu voor hun bedrijfsvoering. In totaal waren 19 agrariërs benaderd, waarvan twaalf een veeteelt- en vier een tuinbouwbedrijf hadden. Zestien bedrijven zijn gevestigd in Amstelhoek en drie in Bovenkerker polder. De gemiddelde vestigingsduur was 41 jaar, met een spreiding tussen de 11 en 93 jaar. Het grondoppervlak varieerde per bedrijf tussen de één en vijfenveertig hectare, met een gemiddelde van 20.4 hectare.

Maatregelen naar aanleiding van de ramp
De meeste agrariërs (78.9%) hadden geen speciale maatregelen genomen op de dag van het ongeluk. Eén bedrijf (5.3%) had het personeel verplaatst, en twee bedrijven (10.5%) hadden de ramen en deuren van de kassen gesloten. Ook na de 8e juli had een meerderheid van de bedrijven (73.7%) geen speciale maatregelen genomen. Vier bedrijven (21.1%) hadden maatregelen getroffen ten aanzien van de produktie, zoals glasreparaties, het binnenhalen van de koeien, omploegen van het land, en het aanpassen van de beluchting van de kassen. Op twee van de twaalf veeteeltbedrijven was de melk gescheiden ingezameld. Terreinonderzoek naar aanleiding van de ramp had op drie van de 19 onderzochte bedrijven plaatsgevonden.

Informatie
De meeste agrariërs hadden geen informatie ingewonnen bij officiële instanties op de dag van de ramp. Twee bedrijven wendden zich tot het landbouwschap, en één bedrijf zocht contact met de verzekering. Slechts twee bedrijven hadden in de dagen na de ramp informatie ingewonnen over de gevolgen voor het milieu; zestien bedrijven deden dat niet.

Moet Cindu blijven?
De meerderheid van de respondenten (65.0%) was van mening dat Cindu moet blijven. Daarbij speelde enerzijds werkgelegenheid een rol. Anderzijds werd het feit dat Cindu er eerder was dan de huizen in de directe omgeving als argument aangevoerd. Sommigen stelden zelfs dat “Uithoorn geen Uithoorn is zonder Cindu”. 19.4% zou het liefst zien dat Cindu zou verdwijnen. Velen van hen vonden dat chemische industrie niet thuishoort in een woonwijk. Tenslotte stond 13.3% er neutraal tegenover. Het oordeel over de wenselijkheid van vertrek van Cindu uit de regio was niet gerelateerd aan het feit of respondenten op één of andere wijze betrokken waren bij Cindu, noch aan het aantal jaren dat zij in Uithoorn woonden. Ook dachten direct omwonenden er niet anders over dan anderen.

Conclusie
Op de dag van de ramp bleek de bevolking haar informatie vooral te betrekken van radio en televisie. Slechts weinigen maakten melding van berichtgeving door gemeente en/of Cindu, maar hierbij moet in aanmerking genomen worden dat deze instanties hun informatie deels via de media zullen hebben verstrekt. Directe informatievoorziening door de overheid bereikte ook in de weken na de ramp slechts een beperkt aantal mensen. Cindu informeerde in deze periode voornamelijk direct omwonenden.
Het leek erop dat de situatie in de ogen van de bevolking niet direct rampzalig was. Slechts een enkeling zocht contact met hulpdiensten en een meerderheid van direct omwonenden en agrariërs achtte het niet nodig veiligheidsmaatregelen te treffen.
Niet iedereen was even tevreden over de mate waarin de gemeente zich voor de bevolking had ingezet naar aanleiding van de ramp. Direct omwonenden waren duidelijk minder tevreden over het optreden van de gemeente dan de rest van de plaatselijke bevolking. Dit gold niet voor het optreden van Cindu, dat door meer mensen goedgekeurd werd dan dat van de gemeente. Wat dit betreft bleken mensen die banden met Cindu hadden vaker een positief oordeel te vellen dan anderen. In het algemeen vond de meerderheid dat Cindu in Uithoorn moet blijven.
Wat betreft de agrariërs was het opvallend dat weinigen zelf informatie hadden ingewonnen met betrekking tot de gevolgen van de ramp voor het milieu, en dat op slechts een minderheid van de bedrijven speciale maatregelen waren getroffen om schadelijke gevolgen van de ontploffing tegen te gaan. Mogelijk hield dit verband met het feit dat informatie over eventuele verontreiniging van de bodem aan sommige agrariërs pas een week na de ramp werd verstrekt (Parool, 16 juli 1992), waardoor de nodige verwarring was ontstaan. Een meerderheid van de agrariërs was dan ook niet tevreden met de informatievoorziening door overheid en bedrijf.

In de navolgende paragrafen zal dieper ingegaan worden op de problematiek van de potentiële evacuatie en het functioneren van de opvangcentra. Daarbij zal ook de informatievoorziening op deze onderdelen aan de bevolking nader bezien worden.

5.2 Evacuatie: onzekerheid versus zekerheid
De vraag of en wanneer omwonenden van Cindu geëvacueerd moesten worden, stond gedurende de dag op verschillende momenten centraal. De twee meest betrokken gemeentebesturen kwamen onafhankelijk van elkaar tot verschillende beslissingen; in Uithoorn werd rond het middaguur uiteindelijk besloten niet te evacueren, in De Ronde Venen besloot de burgemeester een deel van de Amsteldijk tijdelijk te laten ontruimen. In de loop van de avond, nadat er zich opnieuw flinke explosies hadden voorgedaan, ontstond opnieuw discussie over de vraag of evacueren noodzakelijk was.

Non-evacuatie in Uithoorn: onzekere voor het zekere

De beslissing om in Uithoorn niet tot evacuatie over te gaan, heeft een lang traject doorlopen. In de rampenstaf benadrukten vooral de medewerkers van de provinciale Dienst Milieu en Water de noodzaak van een evacuatie. De burgemeester wenste eerst meer duidelijkheid over de meetresultaten naar gevaarlijke stoffen voordat hij een beslissing over gedwongen evacuatie wilde nemen. Door gebrek aan informatie vanaf het rampterrein bleef gedurende lange tijd onzekerheid bestaan.
Tot ruim 12.00 uur was onduidelijkheid over de noodzaak tot evacuatie. Dat leidde in de gemeentelijke rampenstaf tot heftige discussies. De onduidelijkheid betrof vooral de gevaarlijke stof BF-3 (boriumtrifluoride) dat in gasflessen en als etheraat aanwezig was. Wanneer deze gasflessen bij de explosie waren betrokken, zou een zeer giftige damp over de omgeving kunnen trekken. Deze wolk had tot ernstige gevolgen kunnen leiden voor degenen die zich in deze wolk bevonden.
Deze potentiële dreiging was in de rampenstaf bekend. Van provinciewege en anderszins was op dit gevaar gewezen. Voor alle zekerheid had de burgemeester inmiddels bussen laten komen naar de omgeving van het rampterrein. Toen de plaatselijke brandweercommandant om ongeveer 11.30 uur de rampenstaf meldde dat de BF-3 flessen in veiligheid waren, werden aanvankelijk nog enkele voorbereidende acties voortgezet. Deze voorbereidingen werden pas stopgezet toen de regionale brandweercommandant rond 12.00 uur in de rampenstaf meldde dat de BF-3 gasflessen in veiligheid waren en men de brand meester was. Op basis van deze informatie werd besloten de evacuatie niet door te laten gaan.

Tussen het begin van de ramp en de uiteindelijke beslissing de evacuatie niet door te laten gaan, zaten ruim twee uur. De beslissing werd niet genomen omdat geen zekerheid verkregen kon worden over het gevaar voor de volksgezondheid en over de risico’s van ontplofte materialen op het terrein van Cindu. In de rampenstaf en vooral door de burgemeester werd geprobeerd nagenoeg volledige zekerheid te krijgen over de ontstane situatie voordat tot een beslissing tot evacuatie werd overgegaan.
Onzekerheid is echter inherent aan crisissituaties. Het is een illusie te verwachten dat die onzekerheid tot nul gereduceerd kan worden. Besluitvormers zullen rekening moeten houden met die onzekerheid. Streven naar volledige zekerheid is in een crisissituatie per definitie onmogelijk. Beslissingen moeten nagenoeg altijd worden genomen op basis van onvoldoende informatie.
De burgemeester had de keuze uit twee onzekerheden: evacuatie met alle mogelijke gevolgen vandien en niet-evacueren hetgeen ook met onzekerheden gepaard ging. Hij koos uiteindelijk voor de tweede optie. Toch zou ook de eerste optie waarschijnlijk niet zoveel negatieve gevolgen hebben gegeven als vaak wel wordt aangenomen.
De kans dat bewoners in paniek raken door de aankondiging van een evacuatie blijkt gering te zijn. Internationaal rampenonderzoek onderschrijft die stelling. De kans dat onvoldoende opvanggelegenheid zou bestaan, is tevens gering. Veel inwoners zullen namelijk zelf naar familie en kennissen gaan op het moment dat duidelijk wordt gemaakt dat een bepaald gebied geëvacueerd moet worden. Het gevaar van grootschalige plunderingen in een geëvacueerde wijk blijkt vaak overdreven te worden. Politiebewaking kan daarbij veel problemen voorkomen. Een beslissing tot evacuatie zou zowel op het moment zelf als achteraf bevredigend te motiveren zijn. Nagenoeg alle bewoners hadden de ontploffing zelf gezien of gehoord en zouden zonder al te veel problemen de noodzaak van een evacuatie inzien. Achteraf zou de gemeente de bevolking kunnen voorhouden dat zij op basis van de toen beschikbare informatie het zekere voor het onzekere heeft genomen. De kans is gering dat de bevolking de gemeente dan veel verwijten zou hebben gemaakt.

Ontruiming Amstelkade: het zekere voor het onzekere

De burgemeester van Uithoorn waarschuwde de burgemeester van De Ronde Venen dat wellicht een noodzaak tot evacuatie bestond. De burgemeester van De Ronde Venen begon met de voorbereidingen van deze evacuatie. Vervolgens vernam de burgemeester van De Ronde Venen niets meer van zijn collega uit Uithoorn.
De burgemeester kreeg hierna van de officier voor gevaarlijke stoffen het advies de evacuatie door te laten gaan. Het bleek niet mogelijk contact op te nemen met de rampenstaf van de gemeente Uithoorn om een en ander te verifiëren. Bij de evacuatie deed zich geen enkel probleem voor; mensen verlieten rustig hun huizen.
In de avond ontstonden geruchten over een nieuwe evacuatie. De politie van De Ronde Venen kreeg de opdracht van de politie van Uithoorn om de Amstelkade weer te ontruimen. De burgemeester van De Ronde Venen kwam toen zelf poolshoogte nemen in de rampenstaf van de gemeente Uithoorn. Daar bleek niemand op de hoogte te zijn van de noodzaak tot een evacuatie. Er was hier sprake van een eigen initiatief van de politie.

Beide gemeenten kwamen onafhankelijk van elkaar tot twee verschillende beslissingen. Beide burgemeesters lieten zich bijstaan door experts van de regionale brandweer. De experts gaven op basis van verschillende informatie een verschillende mening over de noodzaak tot evacuatie. De experts beschikten niet steeds over dezelfde informatie op hetzelfde moment. In de beschikbaarheid van informatie zaten grote tijdsverschillen. Dat blijkt kenmerkend te zijn geweest voor deze ramp. Verschillende centra bezaten op verschillende momenten over verschillende informatie. Deze informatieverschillen beïnvloedden de adviezen van de experts. Dat maakte het mogelijk dat de beide brandweerregio’s met tegenovergestelde adviezen kwamen.
De ontruiming in De Ronde Venen had effecten kunnen hebben op het gedrag van de bevolking in Uithoorn. De evacuatie werd al snel via de media publiek gemaakt. Bewoners van Uithoorn zouden de ontruiming in De Ronde Venen kunnen hebben opgevat als een signaal dat de situatie ernstiger was dan de gemeentelijke overheid van Uithoorn wilde melden. In dat geval zou het vertrouwen in de maatregelen die de gemeente Uithoorn nam sterk verminderd zijn. Het is zelfs de vraag of de ontruiming niet tot onverwachte verplaatsingen van de bevolking aanleiding had kunnen geven. Afstemming tussen beide gemeentebesturen inzake de beslissing over evacuatie en ontruiming had potentiële problemen kunnen voorkomen.

5.3 Opvangcentra en slachtoffers
De rampenstaf van de gemeente Uithoorn percipieerde een noodzaak tot de instelling van een opvangcentrum. In rampsituaties blijken mensen echter over een veel grotere zelfredzaamheid te beschikken dan vertegenwoordigers van de overheid denken. Burgers schatten zelf het risico van de ramp in en handelen daarnaar. Slechts in uitzonderingsgevallen zullen zij zich naar een opvangcentrum begeven. Veel vaker gaan zij naar familie en kennissen.
Ook in Uithoorn bleek dit patroon zich te hebben voorgedaan. Uit de enquête blijkt dat slechts weinig bewoners daadwerkelijk naar het opvangcentrum zijn geweest en dat verreweg de meeste bewoners tijdelijk naar familie en kennissen gingen. De meerderheid van de aanwezige personen in het opvangcentrum De Kajuit bestond uit familieleden van werknemers van Cindu.
De gemeente lijkt zich nauwelijks te hebben afgevraagd wat de functie van een opvangcentrum zou moeten zijn. Het draaiboek schreef een opvangcentrum voor. Aan de invulling van de functie van een opvangcentrum werd vervolgens door de gemeente geen aandacht besteed. Dat werd volledig overgelaten aan het hoofd van de school die nauwelijks op de hoogte was van de gebeurtenissen en de genomen beslissingen. Hij beschikt niet over de middelen of het personeel om grote groepen mensen op te vangen.

De opvang van de slachtoffers en de familieleden van de werknemers van Cindu stuitte dan ook op verschillende problemen.

* Het was veel vertegenwoordigers van operationele diensten (politie en brandweer) onduidelijk waar een opvangcentra gevestigd was: in sporthal De Scheg of in de openbare basisschool Kajuit. Verschillende hulpverleners stuurden hulpzoekenden naar verschillende opvangcentra. Uiteindelijk bleek alleen in de Kajuit een opvangcentrum te zijn gevestigd. Oorzaak van de verwarring was het gerucht dat vanwege de windrichting ook in een ander deel van Uithoorn een opvangcentrum ingericht zou worden.
* In het opvangcentrum was nagenoeg geen informatie van de kant van de rampenstaf of van het rampterrein beschikbaar. Niemand in het opvangcentrum wist in eerste instantie wat er aan de hand was, wie er gewond of vermist waren en wat er verder moest gebeuren. De rampenstaf liet de activiteiten met betrekking tot de opvang van bewoners en familieleden volledig over aan de schoolleiding, zonder hen daartoe voldoende personeel of middelen toe te delen.
* Familieleden van de werknemers van Cindu (de potentiële slachtoffers) werden in eenzelfde ruimte opgevangen als de bewoners van Uithoorn. Er werden geen maatregelen getroffen waardoor een scheiding tussen deze twee groepen personen werd gemaakt. Informatie over slachtoffers werd steeds publiekelijk bekend gemaakt. Opvang voor familie van de slachtoffers ontbrak nagenoeg volledig.
* In het centrum waren lange tijd geen personen die kennis hadden van de gebeurtenissen. In de Kajuit was slechts één politieagente aanwezig die niet op de hoogte was van de gebeurtenissen. Pas na eigen initiatief van één van de hulpverleners werd meer duidelijkheid verkregen. Verzoeken om namen van gewonden aan de rampenstaf werden niet beantwoord. Later op de dag hebben een wethouder en de burgemeester zich naar het opvangcentrum begeven. In het opvangcentrum werd een vertegenwoordiger van het bedrijf of van de gemeente node gemist.
* De school beschikte over slechts één telefoonlijn. Velen belden naar de Kajuit om informatie te verkrijgen. Daardoor was het voor de schoolleiding onmogelijk om informatie van buiten te verkrijgen. Verzoeken om uitbreiding van de telefoonlijnen werden niet gehonoreerd. Om toch meer telefoonlijnen ter beschikking te krijgen heeft de schoolleiding eigenstandig besloten tot instelling van een extra opvangcentrum in De Springschans. De schoolleiding had geen lijst met relevante telefoonnummers.
* Het opvangcentrum had een grote aantrekkingskracht op de pers. In het opvangcentrum was daar nauwelijks rekening mee gehouden. Een voorlichter van de kant van de gemeente ontbrak in het opvangcentrum. De schoolleiding moest naast haar andere taken tevens de pers te woord staan.
* In het opvangcentrum was in eerste instantie geen medische, psychologische of geestelijke begeleiding aanwezig. Toevallig bleek de plaatselijke EHBO haar cursussen in De Kajuit te verzorgen, zodat enkele basisvoorzieningen aanwezig waren. Ook kwamen leden van Slachtofferhulp hun diensten aanbieden. De aanwezige EHBO-‘ers waren echter niet in staat familieleden van slachtoffers effectief te behandelen.

Opvangcentra lijken een vast onderdeel van de rampenbestrijding te zijn. Geen van de besluitvormers vraagt zich kennelijk meer af of een noodzaak tot de inrichting van een opvangcentrum bestaat. Als er maar een opvangcentrum is. De invulling van de functie van het opvangcentrum wordt daarbij overgelaten aan niet-geïnformeerde personen.