nationaal brandweer documentatie centrum

Cindu 8 juli 1992: een procesmatige analyse van een crisis – hoofdstuk 4: informatie

Samenvatting
4.1 Informatie en communicatie
4.2 Media en media-management
4.3 Afbouw en onzekerheid: de tweede crisis

Samenvatting
In dit hoofdstuk staan de informatie- en communicatieprocessen centraal. In paragraaf 4.1 wordt hier uitgebreid bij stilgestaan. In paragraaf 4.2 gaan wij in op de betekenis en functie van de media in deze situatie. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een voorbeeld. Wij behandelen de gebeurtenissen zoals deze zich in de vooravond afspeelden als een voorbeeld van informatie-ongelijkheid. Dit zal in paragraaf 4.3 gebeuren.

4.1 Informatie en communicatie
Als in een rampsituatie of andersoortige crisissituatie de verantwoordelijken in staat zijn een redelijk beeld te krijgen en te houden van de loop van de gebeurtenissen en zij tevens in staat blijken de relevante informatie met anderen te delen (zowel binnen de eigen organisaties als extern), is aan één van de belangrijkste aspecten voor adequaat crisismanagement voldaan. Crisismanagement is vooral informatiemanagement.
Kenmerkend voor dergelijke situaties is echter de grote tijdsdruk en de onregelmatigheid waarmee gegevens en informatie op verschillende plaatsen binnenkomen. Tijdsdruk belemmert dat alle informatie verzameld kan worden, waardoor op grond van onvolledige informatie gewerkt en beslist dient te worden. Dit dilemma is onlosmakelijk verbonden met crises. Enerzijds willen verantwoordelijken alles zo snel mogelijk weten om goede beslissingen te kunnen nemen en anderzijds maakt de aard van de situatie deze wens onmogelijk. Alle informatie is niet snel en volledig in handen. Afwezigheid van informatie leidt vaak tot geruchtvorming.
Veelal worden problemen bij de verwerving van informatie toegeschreven aan een gebrek aan technische middelen of een overbelasting van schaarse communicatiemiddelen. Na iedere rampoefening wordt wel geconstateerd dat de verbindingen niet optimaal waren en dat de verwerving en verwerking van informatie niet geheel vlekkeloos verliepen

De situatie in Uithoorn
Ook in Uithoorn bleek de informatievoorziening (de verwerving, de verwerking en de verspreiding) de zwakke schakel te zijn geweest bij de bestrijding van de ramp. Het crisiscentrum op het stadhuis was – in ieder geval gedurende de eerste uren – niet op de hoogte van wat zich afspeelde op het rampterrein. Buurgemeenten bleven van informatie verstoken. De verschillende operationele diensten wisten onvoldoende hoe de situatie op ieder moment was.

De plaatselijke evaluatie
In de evaluatie door het college van B&W wordt uitgebreid ingegaan op de informatie- en verbindingenproblematiek. Het college voert veel van de problemen waarmee men op de betreffende dag werd geconfronteerd terug op slechte verbindingen.

“De verbindingen of eigenlijk de gebrekkige verbindingen tussen het crisisteam en de brandweercommandowagen op het rampterrein heeft de hele dag een rol gespeeld. De informatieverstrekking op velerlei terrein en de besluitvorming zoals bijvoorbeeld bij de voorbereiding van de evacuatie konden hierdoor niet optimaal zijn.
Ook bleek het gemeentehuis vrijwel de gehele dag niet tot slecht beschikbaar, ondanks het feit dat de telefooncentrale een dubbele bezetting kende. De telefoon blijkt dan ook in tijden als deze geen ideale manier om informatie te vragen en te krijgen”.

De problemen in Uithoorn worden door het college verklaard door technische problemen en, in geringe mate, door het negeren van het aanwezige nationale noodnet. Toch mag niet worden aangenomen dat deze technische problemen onverwacht waren. Immers in het rampenplan lezen we al:

“Bij een rampsituatie moet er rekening worden gehouden dat het openbare telefoonnet door overbelasting van de betrokken telefooncentrale (s) in ernstige mate gestoord kan zijn (…)
Het nationaal noodnet is een separaat netwerk naast het telefoonnet (…)
Aanvullende verbindingsmiddelen. Aansluitingen op het openbaar telefoonnet kunnen worden (bij)geplaatst”.

Daarnaast wordt in het rampenplan vermeld dat de communicatie tussen rampterrein en rampenstaf dient te geschieden door een mobilofoonverbinding. Cryptisch wordt hierbij tussen haakjes vermeld: indien voorbereid.
Er kunnen, naast de bovengenoemde technische problemen, verschillende factoren worden aangevoerd die mede de problematische informatie-uitwisseling gedurende de gehele dag kunnen verklaren.

Aanvullende verklaringen
In de eerste plaats speelde een gebrek aan voorbereiding op het gebied van de rampenbestrijding van zowel de bestuurders als de operationele diensten een rol. Wanneer bestuurders en operationele diensten weten (zie bijvoorbeeld de mededelingen in het rampenplan) dat zich in rampsituaties altijd problemen voordoen met de verbindingen, dat telefoons overbelast raken en dat etherdiscipline bij functionarissen van operationele diensten in deze situaties niet altijd voldoende gedisciplineerd is, is een constatering dat slechte verbindingen een verklaring geven voor een aantal problemen zoals deze zich op 8 juli voordeden, te gemakkelijk.
Bij een goede planmatige voorbereiding wordt uitgebreid stil gestaan bij een adequate informatievoorziening. Uitgangspunten voor deze goede communicatie zijn onder andere:

* Op het rampterrein fungeert een commando rampterrein.
* Een of meerdere verbindingswagens zorgen vanaf het terrein voor goede verbindingen tussen het rampterrein en de verschillende aktiecentra van de diensten.
* De communicatielijn tussen het beleids- en operationeel centrum wordt getrapt (door de (regionale) alarmcentrale) gerealiseerd.
* Regionale brandweerfunctionarissen hebben niet alleen oog voor de ramp in Uithoorn maar overzien ook de bredere implicaties.
* Met de buurgemeenten wordt frequent kontakt onderhouden (eventueel via kontakten regio-alarmcentrale).

In de tweede plaats kan een deel van de verklaring gevonden worden in het pluricentrische karakter van de rampenbestrijding in Uithoorn. De veronderstelling dat er in rampsituaties slechts twee belangrijke centra (een rampenstaf en een commando rampterrein) zijn, bleek onjuist. Eerder hebben wij aangegeven dat vele centra actief waren. Dat geeft ook een exponentiële groei van het mogelijke – en dikwijls ook gewenste aantal kontakten.
In de derde plaats bestaat de altijd lastige verhouding tussen informatie en tijd. In een rampsituatie is informatie-uitwisseling essentieel. Ook wanneer die uitwisseling van informatie optimaal plaats heeft, is het nog niet zo dat er sprake is van gelijke kennis. Met een hypothetisch voorbeeld wordt dit geïllustreerd.

Om 10.20 uur hoort men in het crisiscentrum dat er mogelijk gevaar bestaat voor een ontsnapping van BF-3 gas. Terstond wordt actie ondernomen en wordt beslist dat de politie een bepaalde buurt moet evacueren. Om 10.45 uur gaat de politie aan het werk. Op dat moment is op het rampterrein inmiddels al weer veel meer bekend over de eventuele risico’s van BF-3 gas. Wanneer de politie burgers informeert, komt in het crisiscentrum het bericht binnen dat het grootste gevaar is geweken.
Op de lokale radio wordt om 10.55 meegedeeld dat het er naar uitziet dat er geen gevaar meer is voor direct omwonenden. Inwoners uit de betreffende buurt zijn inmiddels op weg naar het opvangcentrum. Op de radio meldt een verslaggever ter plaatse om 11.05 uur dat er personen geëvacueerd zijn. Ook de televisie geeft beelden van zwarte rookwolken en van een volle bus met mensen. Andere omwonenden die nog niet zijn geëvacueerd, of inwoners van andere gemeenten die het bericht over de evacuatie hebben gehoord, worden nu onzeker. Sommigen verlaten toch maar hun huis.

Informatie is in rampsituaties snel verouderd. Toch handelen de meeste organisaties op grond van verouderde informatie, omdat er per definitie tijd zit tussen informatie ontvangen en handelen. Naarmate er minder uitwisseling plaats heeft tussen verschillende centra en organisaties, wordt meer op grond van verouderde informatie gewerkt. In dergelijke situaties werken verschillende individuen en organisaties feitelijk op verschillende tijdsbalken. De ene organisatie loopt een half uur achter op een ander organisatie. Hierdoor verlopen de activiteiten van deze organisaties niet parallel en is soms zelfs sprake van strijdig handelen (wel/niet evacueren).
In de loop van de avond, nadat de boil-over had plaatsgevonden, onstond er bij de politie in de buurt van het rampterrein, gevoed door enkele berichten, het idee dat de zaak gemakkelijk zou kunnen escaleren.

Conclusie
Op 8 juli deden zich veel problemen voor die terug te voeren waren op communicatiestoornissen. Het is verleidelijk de informatieproblemen in Uithoorn eenzijdig toe te schrijven aan technisch falen. Naast problemen met de verbindingen blijkt communicatie een structureel probleem tijdens crises te vormen.
Ten dele zijn informatieproblemen onlosmakelijk verbonden met crisissituaties. Bij rampsituaties hoort, zeker in de eerste uren, een zekere mate van chaos. Er is immers onvoldoende tijd, men weet niet alles en men wil op veel plaatsen zo snel mogelijk informatie beschikbaar hebben. Onder het thema coördinatie hebben wij uitgewerkt hoeveel centra er op 8 juli alleen al actief waren. Toch zijn er verschillende middelen, methoden en procedures die ertoe kunnen bijdragen dat het niveau van de informatie-uitwisseling verhoogd wordt. Voor een deel kunnen deze gevonden worden in een grondiger en meer geïntegreerde voorbereiding, waardoor beter kan worden ingespeeld op enkele ongewenste verrassingen. Daarbij kunnen trainingen en oefeningen een goede aanvulling zijn.

4.2 Media en media-management
Crises, zoals de ramp in Uithoorn, zijn bij uitstek gebeurtenissen die min of meer vanzelfsprekend media-aandacht opeisen. Het is uitzonderlijk wanneer een dergelijke situatie aan de aandacht van de media, en daarmee het brede publiek, ontglipt. Recent onderzoek naar crises laat zelfs zien dat media niet alleen crises weergeven, maar ook crises beïnvloeden en soms zelfs crises creëren. Het gaat hierbij om bepaalde gebeurtenissen die als gevolg van de brede aandacht in de media tot een crisis worden opgeblazen.
In andere gevallen werken media – veelal mede beïnvloed door slecht media-management van autoriteiten of andere direct betrokkenen – mee aan een verdere escalatie van de gebeurtenis.
Daarmee verlaten wij de klassieke opvatting waarin media slechts in de rol van waarnemer worden geplaatst. In talloze ramp- en andere crisissituaties vervullen media een belangrijke – en soms zelfs sleutelrol. In deze paragraaf behandelen we enkele regelmatigheden met betrekking tot de rol en functioneren van media in dergelijke situaties en worden deze tegen de achtergrond van de ramp in Uithoorn beschouwd.

Media zijn snel (aanwezig en in hun berichtgeving)
Vertegenwoordigers van de media (journalisten, fotografen, verslaggevers, cameramensen, e.d.) worden snel ingelicht als er iets mis is. Binnen korte tijd kunnen flinke aantallen journalisten op en rond de plaats van – in dit geval – de ramp zijn.
Na de klap bij Cindu werd binnen enkele minuten op menig redactie alarm geslagen. De eerste explosies deden zich omstreeks 09.55 uur voor. Reeds om 10.00 uur werd op de radio gewag gemaakt van een explosie in Uithoorn. Dit bericht gaf een extra impuls aan de snelle mobilisatie van de media. Binnen een uur liepen al talloze journalisten en cameraploegen in Uithoorn. In de loop van de ochtend en in het begin van de middag vond een belegering plaats van Uithoorn. Men trachtte een goed beeld en een goede sfeertekening van de gebeurtenissen te verkrijgen. Tientallen omwonenden werden voor camera en microfoon gehaald om hun relaas te doen. Voor de latere uitzendingen van nieuws- en actualiteitenrubrieken werden opnamen gemaakt van de verwoestende werking van de explosie en werd gefilmd in het opvangcentrum en het gemeentehuis. Vertegenwoordigers van de werkgroep Cindroom werden om commentaar gevraagd.
Kort na het middaguur werd een extra journaal-uitzending ingelast. Toen journalisten aan het eind van de ochtend op het gemeentehuis te horen kregen dat een eerste persconferentie pas om 13.00 uur zou plaatshebben, vertrok menig journalist naar het rampterrein om te bezien of daar meer informatie te verkrijgen was. Op de persconferentie van 13.00 uur waren reeds tientallen journalisten aanwezig.

Media zijn geïnteresseerd in feiten: wie, wat, waar, wanneer en waarom

Media willen feiten achterhalen. Hoeveel personen zijn omgekomen, wat is de oorzaak, hoe kon het gebeuren, wanneer was de eerste hulpverlener paraat, wie is verantwoordelijk, wie draait op voor de kosten? Deze en nog veel meer vragen werden door journalisten aan de verantwoordelijken en andere betrokkenen en deskundigen gesteld. Wanneer we de boodschappen van de verschillende media gedurende de eerste uren en dagen na de ramp analyseren, ligt een sterke nadruk op deze ‘facts and figures’. Omdat de media voorspelbaar zijn, is het voor autoriteiten mogelijk zich hierop voor te bereiden.
Overigens maakten journalisten het de autoriteiten niet alleen met feiten-vragen lastig, juist de vraag naar het voortbestaan van Cindu (een opinievraag) bracht de autoriteiten in problemen.

Media leggen een zware druk op autoriteiten

Antwoorden op de hierboven genoemde vragen verwachten de media vooral van de verantwoordelijke managers en de autoriteiten. In sommige gevallen wordt de druk van de media op deze personen zo groot en wordt dermate veel beslag gelegd op deze autoriteiten dat dit ten koste gaat van de andere – zo belangrijke – werkzaamheden van deze autoriteiten.
In Uithoorn waren de burgemeester van Uithoorn, regionaal commandant van de brandweer en de algemeen directeur van Cindu, de ‘mikpunten’ van media-aandacht. Als gevolg van het recente overlijden van de plaatselijke voorlichter en om een professioneler media-management te bewerkstelligen werd een beroep gedaan op het Amsterdamse hoofd-voorlichting, die op de nodige media-ervaring – aan beide kanten van de tafel – kan bogen.
Toch kon ook zij niet verhinderen dat de gemeente Uithoorn in termen van media-management geen hoofdprijs zou winnen. Het optreden van de burgemeester maakte geen overtuigende indruk. Er was geen sprake van een permanent ingericht perscentrum. Pers en beleid werden, mede als gevolg van het feit dat persconferenties in het gemeentehuis (en zelfs in de ruimte waar het beleidscentrum bijeenkwam) werden gehouden, onvoldoende gescheiden. In de ochtend werden journalisten weggestuurd uit het gemeentehuis, waardoor vanzelfsprekend extra druk ontstond op het rampterrein. Hier verzorgde de loco-burgemeester om 12.00 uur ook een soort van persconferentie.

De media ‘staan vooraan’

Steeds vaker lijkt het erop of de werkelijkheid nog slechts werkelijkheid is bij de gratie van de media en dat nog slechts de journalisten, fotografen en cameramensen ‘live’ van belangrijke gebeurtenissen getuige zijn. Toen koningin Beatrix Rotterdam bezocht, was het niet zozeer de haag van veiligheidsmensen, maar het leger van vertegenwoordigers van de media die ook de Rotterdamse burgers ervan overtuigden dat slechts via de televisie het bezoek goed was te volgen. Toen Ajax onlangs de Europacup III won en een ere-rondje maakte langs de trouwe supporters, liepen zoveel medialieden mee, dat het publiek nauwelijks nog de spelers kon zien. Niet voor niets scandeerde het publiek ‘wij willen Ajax zien’.
Journalisten staan vooraan en storen zich weinig aan anderen. Op zo’n manier weten zij veelal door te dringen tot plaatsen waar anderen – tot zelfs autoriteiten – nauwelijks kunnen komen. In Uithoorn waren sterke staaltjes van dit fenomeen te observeren. In de loop van de ochtend werd het bedrijfsterrein en de omgeving afgezet voor het al te geïnteresseerde publiek (de zogeheten ramptoeristen). Journalisten hadden zich inmiddels meester gemaakt van de toegang tot het bedrijfsterrein en sommige beschouwden zich als de nieuwe machthebbers. In de middag stonden een groot aantal auto’s en zendapparatuur van diverse stations en omroepen op enkele honderden meters van de plaats waar nog delen van installaties brandden. ‘s Avonds deden zich echter nieuwe explosies voor. In de Volkskrant lazen we:

Overigens vloog gisteravond tussen negen en tien uur, op het moment dat de brandweer de brand geheel onder controle meende te hebben, een olietank in brand. Nieuwsgierigen werden weggestuurd (…).

De journalist liet echter na te vermelden dat vrijwel al deze ‘nieuwsgierigen’ vertegenwoordigers van de media waren, die hals over kop hun dure installaties in veiligheid moesten brengen.
Als gevolg van deze brand moest in een ruime schaal rond het bedrijfsterrein iedereen verdwijnen. Een tweetal agenten gebood leden van het NOS-journaalteam met hun apparatuur (waaronder een straalzender) naar een andere, verder van de ramp gelegen plek te verhuizen. Deze boodschap negeerde men echter volledig. Het was in verband met komende journaaluitzendingen niet mogelijk opnieuw de straalzender te verplaatsen.

In crisissituaties gaat snelheid boven nauwkeurigheid
Journalisten zijn er bij gebaat zo snel mogelijk met hun informatie bij de ontvangers van hun informatie (veelal de burgers) te komen. Snelheid leidt in dergelijke hectische situaties nogal eens tot onnauwkeurigheid. Ook spelen concurrentieoverwegingen soms een rol. De middagkrant wil nog net – als eerste – het laatste nieuws meenemen.
In deze situaties vallen bepaalde tussenschakels weg. De reporter doet live vanaf het rampterrein verslag, terwijl in normale omstandigheden meestal de reportage via de studio naar de kijkers en luisteraars gaat. De controle op de informatie, die in normale situaties meer vanzelfsprekend is (twee onafhankelijke bronnen), blijft achterwege.
Wanneer de verschillende ANP-berichten, die de basis vormen voor veel informatie die via televisie, radio en kranten tot ons komt, worden beschouwd, valt op hoeveel onjuistheden in deze berichten voorkomen.

* “Inwoners uit Uithoorn en omgeving zijn inmiddels door de politie verzocht ramen en deuren te sluiten.
* De politie is begonnen met het evacueren van de direct omwonenden van Cindu. Alle bewoners van huizen binnen een straal van 600 meter worden naar de school ‘de Kajuit’ gebracht of naar het K.D.O. sportterrein (…) Er wordt gesproken over vier doden (…).
* De evacuatie is inmiddels in volle gang. Met geluidswagens worden de mensen uit de huizen gehaald en met bussen naar twee opvangcentra in Uithoorn gebracht.
* Het aantal vermisten bij Cindu bedraagt circa tien.”

Vervelend was vooral het bericht over de vier doden. Het NOS-journaal nam in enkele nieuwsbulletins dit bericht over.

De media vervullen in rampsituaties een belangrijke rol
Hoe veel kritiek er vaak ook over media gegeven wordt, nooit mag vergeten worden dat zij te allen tijde een belangrijke informerende functie vervullen. De bewoners van Uithoorn en omstreken hebben via Radio Rik en radio Noord-Holland veel informatie over de gebeurtenissen gekregen. In de loop van de dag gebruikten de autoriteiten deze communicatiemiddelen dan ook graag om de burgers te informeren. Ook uit onze enquêtes blijkt dat veel inwoners van Uithoorn op de dag van de ramp naar de radio (vooral Radio Rik) hebben geluisterd en deze informatiebron belangrijk vonden.

De rol en betekenis van de media in Uithoorn
Wanneer de balans wordt opgemaakt en de betekenis en de rol van de media wordt beschouwd, is een aantal opvallende zaken waar te nemen.

* De ramp in Uithoorn kreeg vanaf het begin enorm veel aandacht in de verschillende media. Enkele minuten na de eerste explosie was het eerste ANP-bericht al gemaakt en werd op het nieuws reeds over de explosie gesproken. De ramp was het onderwerp van 8 en 9 juli 1992.
* De gemeente Uithoorn werd niet alleen door de explosie, maar ook door het daarop volgende media-circus verrast. Persconferenties alleen waren een te gebrekkig instrument om deze media-druk te weerstaan. Het ontbrak de gemeente aan expertise en ervaring voor een adequaat media-management.
* De enorme aandacht door de media voor de ramp in Uithoorn leidde tot een onverwacht neven-effect. Ook de inwoners en bestuurders uit aangrenzende gemeenten als Amstelveen en De Ronde Venen luisterden naar de lokale en regionale radio, zagen beelden op televisie en zagen enorme zwarte rookwolken. De lokale ramp van Uithoorn kreeg door de rookwolken en de enorme media-aandacht een regionaal en zelfs boven-provinciaal karakter. Autoriteiten uit de omliggende gemeenten trachtten tevergeefs in kontakt te komen met de crisisstaf in Uithoorn. De loop van de gebeurtenissen, de media-aandacht en de afwezigheid van informatie uit Uithoorn plaatsten juist de bestuurders van de de omliggende gemeenten voor problemen. In de gemeente De Ronde Venen werd daadwerkelijk een evacuatie geactiveerd.
* De bewoners van Uithoorn en omstreken hebben volop naar verschillende media geluisterd en gekeken. Dankzij deze informatie waren zij gedurende de gehele dag behoorlijk op de hoogte.

4.3 Afbouw en onzekerheid: de tweede crisis
Onzekerheid is een centraal onderdeel van crisissituaties. Zeker crisissituaties waarbij complexe technologische systemen betrokken zijn worden gekenmerkt door een hoge mate van onzekerheid. Besluitvormers moeten nagenoeg volledig afgaan op de meningen van experts. Ruimte voor een eigen analyse of interpretatie is er veelal niet door het gebrek aan kennis.
De onzekerheid is groot. De neiging van besluitvormers om die onzekerheid te reduceren is tevens groot. Daarbij speelt de mening van experts een belangrijke rol, maar ook deze expertise is in dergelijke complexe omstandigheden niet onbetwist. Verschillende deskundigen kunnen uiteenlopende meningen hebben. Hoewel besluitvormers al snel geneigd zijn de mening van experts als waar aan te merken, zal onzekerheid steeds een element van een crisissituatie blijven uitmaken. Ook experts is het vaak niet gegeven om onzekerheid in crises te reduceren.
Daarnaast speelt het onderscheid tussen de objectieve en subjectieve crisisperceptie een rol. Objectief kan een bepaalde situatie geen crisis zijn, maar als besluitvormers een crisis percipiëren dan zullen zij zich ook als zodanig gedragen. “If men defines the situation as real, they are real in their consequences.” Voor een analyse van de besluitvorming is relevant welke perceptie besluitvormers van een situatie hebben.

Tegen het eind van de middag van de 8e juli leek het ergste voorbij te zijn. De regionale brandweercommandant had het sein brand meester al vele uren eerder gegeven. Hoewel nog veel rookontwikkeling was waar te nemen, moest dit volgens de brandweer niet als verontrustend worden opgevat. Men had besloten de brand te laten uitbranden. Het voorkomen van verdere milieuverontreiniging was de motivatie voor deze beslissing. Feitelijk bleek het niet mogelijk de brand in deze omstandigheden te blussen. Hoe dan ook, politiek-bestuurlijke besluitvormers en operationele diensten begonnen aan de afbouw. De grootste problemen leken te zijn opgelost. In de perceptie van nagenoeg alle betrokkenen was sprake van een terugkeer naar de normale situatie.
Om 20.00 uur ontplofte echter nog een olietank. Hoewel dit verwacht was door de brandweer was de kracht van de explosie niet geanticipeerd. Binnen de brandweer was sprake van uiteenlopende informatie en kennis of verschillen in weging van de informatie.

Sommige regionale brandweerfunctionarissen hielden in de loop van de middag bewust rekening met een zogeheten ‘boil-over’. Uitbranden zou zo lang duren – aanvankelijk hield men rekening met meer dan 30 uur – dat de nieuwe situatie na de boil-over waarschijnlijk veel beter beheersbaar zou zijn. Men bereidde zich voor op deze boil-over en de situatie erna. Men liet politie de auto’s in de omtrek verwijderen. Toch kon het gebeuren dat tussen 17.00 en 19.00 uur de brandweer een aantal gasten nog begeleidde tijdens rondleidingen op het rampterrein, vlakbij de brand, terwijl andere brandweerlieden zich juist terugtrokken.

Brandende olie dreef de openbare weg op en slechts met veel moeite kon deze stroom gestopt worden. Op een bepaald moment dreigde tevens andere stoffen vrij te komen. Om dit te voorkomen waren aanzienlijke inspanningen van de brandweer noodzakelijk.
Op het moment van de tweede crisis om 20.00 uur waren velen al bezig met de afbouw. Het was een dag vol spanning en stress geweest dus velen waren verheugd dat de inspanningen verminderd konden worden. Het viel velen dan ook rauw op de maag toen nogmaals een majeure inspanning gepleegd moest worden. Het managen van een tweede, niet verwachte crisis bleek veel te vergen van de veerkracht van betrokken organisaties en personen.

Het leidde in het beleidscentrum van de gemeente tot een conflict tussen autoriteiten en enkele functionarissen. Van samenwerking was op bepaalde momenten geen sprake meer. Afzonderlijk bestelden autoriteiten grote hoeveelheden zand om de brandende olie die uit de ontplofte tank stroomde, tegen te houden. Het resultaat was dat rond 23.00 uur een lange rij van ruim twintig vrachtwagens met zand geparkeerd was rond het Cindu-complex.

De bevolking werd nauwelijks op de hoogte gebracht van de tweede ontploffing. Velen zagen de tweede ontploffing zelf, maar vernamen vervolgens niets van de overheid. De communicatie met de bevolking was na de tweede crisis nagenoeg afwezig. De overheid vond het kennelijk niet noodzakelijk om de tweede crisis aan te grijpen voor waarschuwingen richting de bevolking.

In de loop van de avond kwamen veel mensen kijken naar de ontploffing bij Cindu. In de directe omgeving van het Cindu-complex probeerden politiemensen met veel moeite toeschouwers op een afstand te houden. Er mocht na de ontploffing van 20.00 uur niet meer door het publiek gerookt worden. Op dat moment waren onvoldoende politiemensen aanwezig om het publiek daadwerkelijk om een veilige afstand te houden. Bewoners op de Thamerdijk (een weg haaks op het Cindu-complex; veel dichterbij de ontplofte tank dan de toeschouwers achter de afzetting) waren niet op de hoogte van deze waarschuwingen. De politie was niet bij hun langs geweest.

De brandweer vatte deze ontploffing op als een “normaal” gevolg van de brand. Van een tweede crisis was in hun perceptie dan ook geen sprake. Anderen, waaronder de burgemeester en de leden van het beleidscentrum, vatten de ontploffing van 20.00 uur wel degelijk op als een tweede crisis. Het beleidscentrum moest weer in spoed bij elkaar komen om beslissingen te nemen. Terwijl de brandweer voortging met haar reguliere bestrijdingsactiviteiten werd op het gemeentehuis koortsachtig overlegd. Inmiddels was de politie rond het Cindu-complex bezig het publiek op een afstand te houden. In de Amstelhoek werden al weer voorbereidingen getroffen voor een evacuatie van de Amsteldijk. Pas nadat de regionaal brandweercommandant, die weer naar het rampterrein was afgereisd, het beleidscentrum had ingelicht werd de druk minder.
De definitie van de situatie in de avond verschilde aanzienlijk. De brandweer vatte de ontploffing op als een normaal onderdeel van het blussen van een dergelijke brand. De burgemeester, de andere leden van het beleidscentrum en de politie vatten de ontploffing op als een nieuwe, tweede crisis met alle gevolgen van dien. De informatie-uitwisseling was ook hier onvoldoende. Dat bood ruimte voor deze beide verschillende definities van dezelfde situatie.