nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 3

De brandweer verlegt haar grenzen – Eindrapport afstemmingsorgaan regionale brandweren – september 1993

3 De reacties van BiZa, VNG en NBF
3.1 Regionale besluitvaardigheid
3.2 Taakoverdracht
3.3 Regioschaal
3.5 Wettelijk kader
3.6 Stimulering
3.7 Financiering regio’s
3.8 Eindperspectief
3.9 Nadere reactie VNG en NBF

3 De reacties van BiZa, VNG en NBF

3.1 Regionale besluitvaardigheid
De drie partners, respectievelijk BiZa, VNG en NBF, onderkennen in hun reacties de bestaande problematiek van de te vrijblijvende samenwerking in de brandweerregio’s. De op korte termijn op handen zijnde aanpassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr+) geeft de regionale besturen een bruikbaar instrument in handen om te komen tot de gewenste bestuurlijke en organisatorische versterking. Voor een werkelijke verbetering zal dit instrument echter ook aangewend moeten worden. Gebeurt dit niet, dan zullen andere, bijvoorbeeld wettelijke maatregelen nodig blijken te zijn om de regio’s te versterken.

3.2 Taakoverdracht
Uitgebreide aandacht wordt gegeven aan de in het Interimrapport gedane suggestie van taakoverdracht. In alle drie de reacties is de gedachte dat hiermee efficiëncywinst te behalen valt, overgenomen. De over te dragen taken en bevoegdheden moeten na onderzoek, door de regio’s zelf vastgesteld kunnen worden. Unaniem is de mening dat in elk geval de verzorgingsgebieden van de korpsen niet langer per definitie aan de gemeentelijke territoria gebonden moeten zijn. Men wijst erop dat dit bereikt kan worden door op operationele gronden gebaseerde, bindende regionale plannen voor de allocatie van mensen en middelen op te stellen (dekkingsplannen).

3.3 Regioschaal
In de reacties wordt een verband gelegd tussen de regioschaal en de spilfunctie van de brandweer bij de rampenbestrijding. Duidelijk wordt gesteld dat deze functie alleen waar gemaakt kan worden als de brandweer op dezelfde schaal met zijn partners over dit soort aspecten kan overleggen. De politie zet hier, als de meest grootschalig georganiseerde dienst, de trend. Daarnaast stelt de VNG dat de (huidige) Wgr-regio de minimale schaal is voor een brandweerregio. Voor de verdere toekomst zal, BiZa is daar duidelijk over, de nieuwe Wgr-regio het integratiekader voor alle gemeentelijke samenwerking moeten vormen.

3.4 Bestuurlijke integratie op OOV-beleidsterrein
De noodzaak van bestuurlijke integratie van het OOV-beleidsterrein, op zowel gemeentelijk als regionaal niveau, wordt door de partners onderschreven. De haalbaarheid daarvan en de mate waarin één en ander met name op regionaal niveau is te realiseren is echter, naar de mening van VNG en NBF, als gevolg van de bijzondere wettelijke status van de politieregio, beperkt. De NBF pleit, vanuit de wenselijkheid van integratie, voor meer praktische vormen van bundeling door onder meer afstemming van de regiogrenzen en overlegstructuren tussen de drie disciplines.

3.5 Wettelijk kader
De drie partijen zijn het eens over de mogelijkheden die de huidige wetgeving biedt op het gebied van taakoverdracht naar de regio.
VNG en NBF zijn van mening dat een voortgaande regionalisering een versterking van de intergemeentelijke samenwerking moet inhouden en zich derhalve binnen de structuur van de huidige wetgeving af moet spelen. Daarnaast stelt de VNG overigens dat: ‘dit onverlet laat dat ontwikkelingen in het binnenlands bestuur kunnen leiden tot een nader oordeel’. Deze stellingname biedt de BoN-gebieden mogelijkheden om ook daar de brandweer, aangepast aan de nieuwe bestuursvorm, langs de lijnen van deze rapportage te ontwikkelen.
De Minister van Binnenlandse Zaken benadrukt haar systeemverantwoordelijkheid voor de brandweerzorg en de rampenbestrijding. Vanuit die optiek ziet zij zich, wanneer er onvoldoende van de mogelijkheden tot taakoverdracht gebruik wordt gemaakt, genoodzaakt het vernieuwingsproces te ondersteunen met wetswijzigingen.

3.6 Stimulering
De Minister van Binnenlandse Zaken is op basis van vele reacties uit het veld met het Afstemmingsorgaan van mening dat de versterking van de regio’s gestimuleerd moet worden en is gaarne bereid haar beleid daar naar te richten. In dit kader vraagt zij het Afstemmingsorgaan of het gewenst is dat de ‘brede doeluitkering voor de rampenbestrijding’ als zodanig wordt gehandhaafd.

3.7 Financiering regio’s
De VNG stelt dat lokale taken, ook indien zij in verlengd lokaal bestuur worden uitgevoerd, uit de lokale, gemeentelijke middelen gefinancierd moeten worden. Daarnaast ziet zij, wanneer vormen van regionaal bestuur ontstaan die niet als vormen van verlengd lokaal bestuur zijn te kenmerken, de noodzaak van rechtstreekse financiering door het Rijk. Een stelling die de brandweer in de BoN-gebieden nieuwe nog onverkende mogelijkheden biedt.
De NBF voegt hier nog aan toe dat zij de huidige brede doeluitkering voor de rampenbestrijding ‘in de huidige situatie een onmisbaar instrument’ acht en pleit met kracht voor handhaving van deze uitkering aan de regio in plaats van de voorgenomen overheveling naar het Gemeentefonds.

3.8 Eindperspectief
De reactie van de Minister van Binnenlandse Zaken op het Interimrapport is zeer uitgebreid. Zij antwoordt op de gestelde vragen en schetst een eindperspectief voor de organisatie van de brandweer. In haar visie zal in de toekomst sprake zijn van regionale korpsen.
Velen hebben uit onder meer deze zinsnede begrepen dat zij van mening is dat de brandweer wettelijk op dezelfde leest als de politie geschoeid zou moeten worden en dat hiermee de feitelijke opheffing van de gemeentelijke korpsen aan de orde zou zijn.
Uit een later verkregen nadere toelichting op haar antwoord blijkt dat de Minister niet het voornemen heeft ook voor de brandweer functionele regio’s met een eigen wettelijke basis in te stellen. Zij is daarentegen van mening dat de brandweerzorg, wanneer nieuwe vormen van rechtstreeks gekozen regionaal bestuur ontstaan, ingebed moet worden in die integrale bestuurslaag. Voor haar zijn daarom Brandweerwet 1985, de Gemeentewet en de Wgr(+) de wettelijk kaders waarlangs de brandweer zich zal moeten ontwikkelen. Wel geeft zij, door het accent te leggen op de regionale structuur, duidelijk aan dat de gemeenten in het belang van een effectieve en efficiënte brandweerzorg op korte termijn en zonder enige terughoudendheid zullen moeten gaan samenwerken. Haar stellingname betreffende de mogelijkheid van aanpassingen van (bijvoorbeeld artikel 3 van) de Brandweerwet 1985 onderstreept welk gewicht zij hecht aan een voortvarende aanpak van de regionalisatie.

3.9 Nadere reactie VNG en NBF
De vertegenwoordigers van de VNG en de NBF in het Afstemmingsorgaan hebben met verbazing kennis genomen van het gedeelte van de brief van de Minister, waarin zij de contouren van een eindmodel van de brandweerorganisatie schetst.
Dat model beschrijft een zelfstandige regionale brandweer die naar hun oordeel sterk lijkt op het politiemodel en daarmee niet op een binnen de WGR-kaders gerealiseerde samenwerkingsvorm.
Ondanks de eerder in dit rapport weergegeven nadere toelichting op het standpunt van de Minister hechten de vertegenwoordigers van de VNG en de NBF er aan, hier hun standpunt terzake duidelijk kenbaar te maken. Zij verwerpen met kracht de gedachte aan een dergelijke vorm van regionalisatie. De geschetste organisatievorm zou volgens hen onder meer het opheffen van de, voor het grootste deel op vrijwilligheid gebaseerde, gemeentelijke brandweer betekenen. Tevens menen zij dat een dergelijke oplossing op gespannen voet staat met de gedachte van integraal bestuur, omdat de brandweer dan los zou komen te staan van het lokale bestuur, dat op het gebied van het integraal veiligheidsbeleid een belangrijke rol is toegedacht.