nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 6

Menaldum – Onderzoek brand in Graldastate (serviceflats voor ouderen) – 6. De repressie

6.1. De Brandweer van de gemeente Menaldumadeel
6.2. De brandbestrijding
6.3. Het brandverloop

6.1. De Brandweer van de gemeente Menaldumadeel
De gemeentelijke, vrijwillige brandweer van Menaldumadeel bestaat uit een tweetal blusgroepen, één in Menaldum en één in Marssum. Afgelopen jaar is onderzocht of het verantwoord was één van de twee blusgroepen op te heffen. De gemeenteraad kwam echter tot de conclusie dat dit niet het geval was en besloot beide blusgroepen te handhaven.

De gemeente Menaldumadeel (ruim 13.000 inw) geeft ± f 20,-/inw. uit aan de brandweer (1992). Het gemiddelde voor de gemeenteklasse van 10-20.000 inwoners ligt op f 27,-/inw.

Het totale korps bestaat uit dertig man en beschikt over één opgeleid onderofficier (ondercommandant). De brandwachten zijn allen opgeleid tot minimaal brandwacht tweede klasse. Eén brandwacht beschikt wel over het diploma brandwacht eerste klasse maar is, omdat hij niet tot persluchtmaskerdrager is opgeleid, niet volledig inzetbaar.

Het opleidingsniveau van met name de leidinggevenden is, ondanks de inspanningen van de laatste jaren, nog niet op het gewenste niveau. Gezien de initiatieven die al voor de onderhavige brand genomen zijn, is verdere verbetering op dit gebied te verwachten.

De beide blusgroepen beschikken ieder over twee voertuigen, een blusvoertuig (bouwjaar 1979) en een hulpverleningswagen (bouwjaar respectievelijk ’85 en ’65). Het aantal brandweervoertuigen is hoger dan verwacht mag worden. Toch is de materieelpositie van de brandweer kwalitatief verre van riant. Een deel van het materieel is sterk verouderd of in slechte staat. De beide blusvoertuigen worden binnenkort gerenoveerd.

De blusvoertuigen zijn voorzien van vijf respectievelijk vier persluchtapparaten, daarnaast zijn een tweetal persluchtapparaten in de hulpverleningswagen van Menaldum aangebracht. Het aantal persluchtapparaten is krap te noemen en is in elk geval niet voldoende voor de volledige inzet van twee blusgroepen.

Drie van de in totaal elf persluchtapparaten zijn van een modern type, de overige acht stammen uit de zestiger jaren en zijn van een andere minder geavanceerde constructie. Onder kritieke omstandigheden kan het gecombineerd werken met beide typen apparaten in één ploeg het werken sterk bemoeilijken. Het is zeker niet ondenkbaar dat dan ook de veiligheid in het geding komt.

Inmiddels is besloten om, vooruitlopend op de voor 1994 geplande vervanging, reeds dit jaar nieuwe persluchtapparatuur aan te schaffen.

6.2. De brandbestrijding
De blusgroep van Menaldum rukt na alarmering op volle sterkte (16 man) uit en is binnen vijf minuten ter plaatse. Daar wordt zij geconfronteerd met een volledig ontwikkelde brand. Het centrale trappenhuis staat volledig in brand, de massief hardhouten trappen zijn reeds weggebrand en de vlammen slaan meters boven het dak uit. Aan de achterzijde van het gebouw staan de bewoners op hun balkons. Zij hebben daar, als gevolg van de zwakke wind uit een gunstige richting, weinig last van de rook. Zij kunnen echter, als gevolg van de rookverspreiding op de gangen, het gebouw niet via de noodtrappen op de kopse kanten van het gebouw ontvluchten.

Terwijl bijstand wordt aangevraagd, beperkt de brandweer zich noodgedwongen vrijwel geheel tot de redding. Met behulp van twee handladders, daarbij geassisteerd door buurtbewoners met in de buurt gevonden ladders, worden de bewoners (80 plussers!) in veiligheid gebracht. Opmerkelijk is de kennelijke afwezigheid van enige paniek en het feit dat het in dit geval mogelijk blijkt de zeer bejaarde bewoners via ladders het gebouw te laten verlaten.

Nadat geconstateerd is dat nog drie personen ontbreken, wordt gericht gezocht naar de vermisten. Eén wordt levenloos in een stoel op haar kamer aangetroffen, een ander wordt nog levend uit haar kamer gered, doch overlijdt kort daarna. In beide gevallen is rookvergiftiging de oorzaak.

Het derde slachtoffer wordt pas in een later stadium, na de blussing, onder aan de geheel weggebrande trap in de geheel uitgebrande hal aangetroffen.

De brand blijkt lastig te bestrijden. De problemen concentreren zich op de bovenste verdieping waar de brand zich in het holle, niet gecompartimenteerde dak, ongezien en onvoorspelbaar voortplant. Met assistentie van de regio en van een drietal omliggende korpsen wordt de brand onder controle gebracht en wanneer om 9.36 uur het sein ‘brand meester’ wordt gegeven, is het gebouw geheel onbewoonbaar en kan de bovenste verdieping als verloren worden beschouwd.

Ondanks deze trieste afloop kan gesteld worden dat de brandweren van Menaldumadeel en van de omliggende gemeenten goed werk geleverd hebben. Gezien het feit dat bij aankomst een volledig ontwikkelde brand werd aangetroffen en gezien de brandgevaarlijke constructie van het gebouw was een beter resultaat nauwelijks denkbaar.

6.3. Het brandverloop
Uit een reconstructie blijkt dat de brand is ontstaan in of bij een in de open lucht, tegen de gevel van de aanbouw aan de centrale hal geplaatste afvalcontainer. Deze container is vervaardigd van met glasvezel versterkt polyester en bevat naast veel gft-afval ook een aanzienlijke hoeveelheid papier. De containerbrand overbrugt zonder probleem de korte afstand naar de houten dakrand van de aanbouw en nestelt zich in de holle dakconstructie van aanbouw. Na daarin tot ontwikkeling te zijn gekomen slaat de brand door naar het belendende trappenhuis en vandaar uit naar de gangen op de drie verdiepingen.

Pas in dit stadium wordt de brand opgemerkt en gemeld.

De brand wordt in zijn voortplanting slechts op één plek geremd door min of meer brandwerende deuren die, in tegenstelling tot alle andere dergelijke deuren, gesloten waren. Op dit punt, de begane grond van de linkervleugel is de brand vrijwel volledig gekeerd. Dit feit demonstreert duidelijk dat, wanneer alle overeenkomstige deuren volgens de gebruikelijke brandpreventieve inzichten gesloten waren geweest, de brand zich nooit tot die proporties had kunnen ontwikkelen als op 8 juli 1993 het geval was.

Op alle andere gangen breidt de brand zich uit in zowel de holle, op weinig plaatsen gecompartimenteerde plafonds als in de gangen zelf. Op de begane grond en de eerste verdieping blijft de branduitbreiding, als gevolg van de relatief gunstige constructie, beperkt. Dit geldt echter niet voor de rookverspreiding die, naar later zal blijken, ook daar zijn tol eist.

Op de bovenste verdieping kan de brand zich vrijwel ongeremd voortplanten tussen het zachtboard plafond en de dakplaten. Deze stramit-platen en het kraftpapier waarin de steenwol isolatiedeken verpakt is, dragen hieraan stevig bij.

De wanden tussen de gang en de appartementen en de appartementen onderling zijn, met name op de bovenste verdieping, nauwelijks brandwerend en bieden alle mogelijkheden aan de branduitbreiding. In beide vleugels brandt ongeveer de helft (niet aaneengesloten) van het aantal appartementen geheel of gedeeltelijk uit.