nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 4

Menaldum – Onderzoek brand in Graldastate (serviceflats voor ouderen) – 4. Bouw en brandpreventie

4.1. Het ontwerp
4.2. Het gebouw
4.4. Renovatie
4.5. Brandpreventievoorzieningen in de Graldastate

4.1. Het ontwerp
De Graldastate is in het begin van de zeventiger jaren ontworpen. Het bestek toont een moeilijk veilig te maken gebouw. Met name de constructie van het dak, met de balken in de langsrichting en daarop zeer brandbare dakplaten, schept goede voorwaarden voor een snelle branduitbreiding. Toch kan ook een dergelijke constructie, zij het met meer kosten en moeite, brandveilig worden uitgevoerd. Het bestek rept niet over dergelijke maatregelen. De keuze voor zachtboard plafonds was uit oogpunt van brandveiligheid gezien onjuist. De combinatie van de dakconstructie met de zachtboard plafonds schiep de mogelijkheid van een onbeheersbare brand die vele woningen zou kunnen aantasten.

Achteraf kan gesteld worden dat de kwaliteit van het ontwerp, ook gezien de toenmalige normering op het gebied van de brandveiligheid, voor wat betreft dit onderwerp beneden peil was.

4.2. Het gebouw
De Graldastate is in 1970 gebouwd als een serviceflat voor ouderen en is daarmee volgens de brandpreventiesystematiek geen bejaardenoord maar een normaal woongebouw. In de drie bouwlagen zijn in totaal 54 appartementen ondergebracht. Het gebouw bestaat uit twee vleugels die op een centraal trappenhuis uitkomen. Vanuit het trappenhuis geven inpandige gangen toegang tot de appartementen. De gangen zijn, aan de kopse kant van de vleugels, via een nooduitgang te verlaten.

Op de begane grond is tegen het trappenhuis een aanbouw gerealiseerd met o.m. een toiletgroep (zie plattegronden).

Het gebouw is opgemetseld in betonsteen, de verdiepingsvloeren zijn in hollebaksteen-elementen uitgevoerd en de dakbedekking bestaat uit stramit-platen (geperst stro) op een houten balklaag. Op een aantal plaatsen is de draagconstructie aangevuld met betonbalken. Het dak is geïsoleerd met steenwol, als dampremmende laag is kraftpapier toegepast.

De constructie van het gebouw kent weinig echte brandwerende scheidingen doordat de wanden veelal niet doorlopen tot de erboven gelegen vloer c.q het dak. De in de lengterichting van het gebouw liggende (dak)balklaag verzekert de stramit dakelementen van de noodzakelijke ventilatie, tevens worden hierdoor echter, uit brandpreventief oogpunt zeer onwenselijke, over de gehele vleugels doorlopende holle ruimten gecreëerd.

De plafonds zijn voornamelijk met zachtboard afgewerkt, alleen in de keukens, de toiletten/douches en de technische ruimten is gipsplaat gebruikt.

De in de vluchtwegen aanwezige ‘brand- en rookwerende’ deuren zijn niet zelfsluitend en hierdoor niet effectief tenzij ze bewust met de hand worden gesloten. De brandwerendheid van de deuren is minder dan de gebruikelijke 20 à 30 minuten en de constructie waarin zij zijn aangebracht bezit evenmin de gewenste brandwerendheid.

4.3. Brandpreventieadviezen
Het gebouw is in 1970 gebouwd door de Stichting Aldereinsoarch Menaldumadeel. In het bij de bouwaanvraag ingediende bestek zijn geen specifieke brandpreventieve voorzieningen opgenomen. De gemeente vraagt, voordat zij de bouwvergunning afgeeft aan de toenmalige Inspectie voor het Brandweerwezen het bouwplan te beoordelen op brandveiligheidsaspecten. De Inspecteur adviseert in een brief van 1 juli 1970, gericht aan de Directeur Gemeentewerken, een aantal noodzakelijke brandveiligheidvoorzieningen te laten realiseren. Het advies is afstandelijk van toon en weinig of niet toegespitst op specifieke constructies die wel uit de ingediende tekeningen blijken. Het geeft geen inzicht in de consequenties van het al dan niet uitvoeren van de geadviseerde maatregelen. Op geen enkele manier wordt gesuggereerd dat hier een in principe brandgevaarlijk gebouw gerealiseerd gaat worden.

De in het advies voorgestelde maatregelen zijn relevant, één cruciaal onderwerp wordt echter niet belicht. Er wordt namelijk geen aandacht geschonken aan de dakconstructie die de brandwerendheid van de wanden tussen de appartementen op de bovenste verdieping vrijwel tot nul terugbrengt.

De bouwvergunning wordt op 8 juli 1970 verleend, er worden geen nadere brandveiligheidseisen in gesteld. Wel wordt een afschrift van het advies van de Inspectie door de gemeente aan de architect, M. Gerbenzon te Leeuwarden, gezonden met het verzoek daarmee rekening te houden.

De architect beantwoordt dit verzoek met een min of meer geruststellende brief waarin wordt gesteld dat:

* in het algemeen aan de genoemde punten kan worden voldaan,
* een der aanvullende eisen, drukknoppen voor alarmering bij brand, overbodig is aangezien daaraan reeds op een andere manier wordt voldaan,
* het hem onduidelijk is of met de in het bestek weergegeven constructie aan één der brandwerendheidseisen voldaan wordt,
* de noodtrappen deels afwijkend van de aanvullende eisen zullen worden uitgevoerd.

In 1983 wordt, in verband met een brandverzekeringskwestie, op verzoek van de eigenaar door een functionaris van de brandweerregio een onderzoek ingesteld naar de brandveiligheid van de drie, qua constructie vrijwel gelijkwaardige service-flats die de stichting beheert. De conclusies van dit onderzoek hebben daardoor zowel betrekking op de Graldastate, als op de Orxmastate en de Drenningahof. In een brief van de regionaal coördinator Brandweer en Hulpverleningsdienst (BHD) Noord-Friesland aan de commandant van de brandweer en in afschrift aan ‘Dienstencentrum Menaldumadeel’ wordt op 15 december 1983 aangegeven dat er op brandveiligheidsgebied een aantal zaken verbeterd moeten worden.

Het advies van de regionale brandweer heeft veel overeenkomsten met het eerdere advies van de Inspectie. Hieruit blijkt duidelijk dat een aantal in 1970 door de Inspectie geadviseerde brandveiligheidsmaatregelen niet gerealiseerd is.

In het advies van de regionale brandweer wordt in tegenstelling tot het eerdere advies van de Inspectie, aangegeven dat het een woongebouw betreft met een wat bijzondere bewoning en dat het gezien deze bestemming aanbeveling verdient extra eisen te stellen. Om deze reden wordt het aanbrengen van rookmelders voorgesteld. Toch ontbreekt ook in dit advies de visie dat, als gevolg van de dak/plafondconstructie, een brand zich vrijwel onbelemmerd naar vele appartementen kan uitbreiden, een feit dat duidelijk uit de bouwtekeningen naar voren komt.

In zijn brief van 11 maart 1984 adviseert de toenmalige commandant van de brandweer aan het college van Burgemeester en Wethouders om de door de BHD geadviseerde maatregelen te laten uitvoeren. In juni van dat jaar geeft de directeur gemeentewerken het college aan dat “dit (BHD) rapport bedoeld is om een beeld te krijgen van de brandpreventieve tekortkomingen en om hiermee bij eventueel in de toekomst uit te voeren renovatiewerkzaamheden rekening te houden”.

Burgemeester en Wethouders berichten de commandant van de brandweer hierop dat ‘bij eventueel in de toekomst uit te voeren renovatiewerkzaamheden’ rekening zal worden gehouden met het brandpreventieadvies van de BHD.

4.4. Renovatie
In 1991/92 wordt een aanvang gemaakt met de renovatie van de drie serviceflats. De Orxmastate is het eerste aan de beurt. De gemeente ziet de renovatie als onderhoudswerk en omdat hiervoor geen bouwvergunning vereist is, blijft bemoeienis van de gemeente met de brandveiligheidssituatie uit. Medio mei 1992 wordt de gerenoveerde Orxmastate opgeleverd. Het brandveiligheidsadvies van 1983 is door de eigenaar in de renovatie volledig uitgevoerd.

Opmerkelijk is dat uit door de eigenaar verstrekte informatie blijkt dat bij de renovatie, hoewel hieraan verder geen formele eisen ten grondslag liggen, ook ruime aandacht is geschonken aan het in de diverse adviezen ontbrekende aspect van de brandwerendheid tussen de appartementen. Hierdoor lijkt in dit gebouw na twintig jaar toch nog een voldoende brandveilige situatie te zijn gerealiseerd. Een inspectie door Bouw- & Woningtoezicht kan hier uitsluitsel over verschaffen.

De Graldastate zou in 1993/94 worden gerenoveerd waarna vervolgens de derde serviceflat, de Drenningahof aangepakt zou worden.

Voor de Graldastate kwam deze renovatie te laat.

4.5. Brandpreventievoorzieningen in de Graldastate
In de Graldastate werden, hoewel het bestek en (het ontbreken van) de voorwaarden bij de bouwvergunning dit niet doen vermoeden, toch wat brandpreventievoorzieningen gerealiseerd. Verklaringen wijzen er op dat dit vermoedelijk het gevolg is van een onderhandse inbreng van (een deel van) het advies van de Inspectie gedurende de bouw. Deze brandpreventievoorzieningen zijn in de oorspronkelijke bouw gerealiseerd. Het betreft onder meer:

* De gangen zijn afgescheiden van het trappenhuis en in het midden gecompartimenteerd met niet zelfsluitende (90 graden stop), min of meer brandwerende deuren.
* De nooduitgangen zijn voorzien van een ‘panieksluiting’.
* In de gangen zijn voldoende slanghaspels en een grote overmaat aan poederblussers aangebracht.

Als gevolg van onder meer het grote aantal, gezien het brandrisico en de aanwezigheid van slanghaspels overbodige poederblussers, maakt het gebouw op de leek al snel de indruk van een brandpreventief goed doordacht geheel. Er is dan ook bij niemand sprake van ongerustheid over de brandveiligheid wanneer het gebouw in de geschetste staat door de fatale brand wordt getroffen.