nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 8 – Werkwijze en procedures

8 Werkwijze en procedures
De alarmeringsprocedures die door de regionale alarmcentrale worden gehanteerd, liggen schriftelijk vast. De brandweer van Harderwijk hanteert verder bij brand de normale, in de landelijke lesstof beschreven, procedures en werkwijzen.
Het korps maakt op beperkte schaal gebruik van mondeling afgesproken aanvullingen op de landelijke werkwijze. Van belang zijn hier de afspraken dat:

* Nagekomen brandwachten zich ter plaatse bij hun bevelvoerder dienen te melden.
* Brandwachten die het laatste voertuig missen, gezamenlijk met een ‘bezemwagen’ naar de brand mogen komen;

Bij de lesstof passen in relatie tot de gevolgde werkwijze bij het ongeval, de volgende opmerkingen.

* Als een bevelvoerder, op een moment dat de omstandigheden om handelen vragen, zelf nog over onvoldoende informatie beschikt is het gebruikelijk dat brandwachten op een zelfstandige manier worden ingezet met een opdracht tot verkenning en/of redding.
* In de lesstof wordt gesteld dat: ‘Van u als brandwacht wordt verwacht dat u geen gevaarlijke situaties laat ontstaan door op eigen houtje dingen te doen die u niet zijn opgedragen.’ (Uit: Brandwacht, repressie; Nibra 5e druk, juli 1996).
De lesstof somt de diverse gevaren op die de brandwacht bij zijn optreden bedreigen en hierbij wordt onder meer naar de inspectierapporten verwezen. Opmerkelijk is dat de branduitbreiding via verborgen ruimten, die nog vrij recent aan acht brandweerlieden het leven kostte (Noordwijk, Langerak en Amsterdam), niet genoemd wordt.
* Het is iedere brandwacht ingeprent dat ‘onder bepaalde omstandigheden meer risico’s genomen moeten (mogen) worden.’ (Uit: Brandwacht, repressie; Nibra 5e druk, juli 1996). Duidelijk is hen ook dat het dan bijvoorbeeld om het redden van mensen moet gaan.
Er bestaan geen duidelijke richtlijnen voor de beschermende maatregelen in dergelijke situaties, zoals blijkt uit de zinsnede: ‘In brandweerkringen zijn nogal wat menings-verschillen over het redden met of zonder bescherming van een blusstraal.’ (Uit: Onderbrandmeester, repressie; Nibra 3e druk, augustus 1996).
Wel is helder beschreven dat in geval van twijfel de bevelvoerder de beslissing moet nemen.
* Het feit dat een zolder waar nog geen brand is, verkend wordt, is niet vreemd. In de lesstof wordt aangegeven: ‘Soms proberen personen via het trappenhuis naar boven te ontsnappen…..met het gevolg dat men slachtoffers kan aantreffen op de trap naar de zolderverdieping en op de zolderverdieping zelf.’ (Uit: Brandwacht, repressie; Nibra 5e druk, juli 1996).
Een groot deel van de lesstof is zodanig geformuleerd dat het meer zal leiden tot begrip vanhet veilig en doelmatig brandweeroptreden dan dat er eenduidige richtlijnen voor dit optreden worden gegeven. Hierdoor is het toetsen van de voorgevallen situatie aan de lesstof niet goed mogelijk. Algemene procedures voor het repressief optreden bij dergelijke branden zijn in Nederland nog niet voorhanden.