nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 5 – Het brandverloop

5 Het brandverloop
Uit onderzoek van de politie blijkt dat de brand hoogstwaarschijnlijk in de kamer links van de voordeur (kamer 3, bijlage 2), op de begane grond is ontstaan. De brand heeft zich in kamer 3 volledig kunnen ontwikkelen en is snel uitslaand geworden. De branduitbreiding is in de gang, mede doordat de hitte gemakkelijk via het open trapgat naar boven kon ontwijken, vrij beperkt gebleven. Wel heeft de brand zich via die trap en door ontbranding van de houten lambrisering langs de trap (triplex) snel naar de eerste verdieping kunnen uitbreiden.
Doordat de trap op de eerste verdieping grotendeels omtimmerd was met gipsplaat, heeft de brand zich op de eerste verdieping aanvankelijk vooral rondom het trapgat geconcentreerd. Vast staat dat de overloop in een vroeg stadium onbegaanbaar moet zijn geworden.
Uit verklaringen van bewoners blijkt dat al in een vroeg stadium vlammen kwamen uit de balkondeuren van het dakterras op de verdieping aan de achterzijde van het pand.
De normale mogelijkheden om kamer 6 te verlaten (via de trap of het dakterras), zijn daardoor geblokkeerd. In deze kamer is later het lichaam gevonden van een van de vermiste bewoners.
Toen de brandweer ter plaatse kwam was de brand reeds uitslaand op de begane grond, (raam 1 en het bovenlicht van de gang). Het vuur heeft zich op de 1 e etage verder zowel horizontaal (via de overloop) als verticaal verspreid. De verticale uitbreiding kon plaatsvinden doordat de trap naar de zolder in kap A aan de zijde van de Smeepoortstraat kennelijk weinig brandwerend was en snel doorbrandde. Het vuur heeft de plafonds van de eerste verdieping aangetast en heeft zich in de zoldervloer(en) horizontaal weten te verspreiden. Deze uit-breiding bleef niet beperkt tot de vloer van de zolder onder de voorste kap (A) van het pand, maar kon zich over een oude bouwmuur heen, ook in de vloer van de zolder onder de achterste kap (B) nestelen. Tussen de daken van de beide zolders bevond zich een dakgoot.
De muur daaronder was niet tot deze gootconstructie doorgemetseld. Vanuit het trappenhuis zocht het vuur dus via de holle ruimten tussen de zoldervloeren zijn weg in de richting van de zij(steeg)- en achtergevel.
Achteraf is duidelijk geworden dat, toen de fatale zoek- en reddingsoperatie naar de vermiste bewoners werd ingezet, het vuur reeds boven de verlaagde plafonds van de kamers aan de steeg en in de zoldervloeren zat. Toen ‘nummer drie’ bemerkte dat het plafond links van hem naar beneden kwam, werd dit door het vuur in de vloer-/plafondconstructie daarboven veroorzaakt en niet door brand ín de ruimte zelf.
In de vloer van de achterste zolder (er lagen een aantal vloeren boven elkaar) kon de brand zich verder ontwikkelen. Op het moment dat twee brandweerlieden de achterste zolder (B) verkenden, bereikte de brand die zolderruimte waardoor ze ingesloten raakten. In de analyse, hoofdstuk 9, wordt hierop verder ingegaan.