nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 4 – De brandbestrijding

4.1 Opbouw van de inzet
4.2 Het ongeval
4.3 De reddingsacties

4.1 Opbouw van de inzet
In de ochtend van 27 januari komt vanaf 02.35 uur, een groot aantal meldingen binnen betreffende een uitslaande brand aan de Smeepoortstraat 35. Het is duidelijk dat zich nog mensen in het pand bevinden. Op deze meldingen volgt een alarm voor drie van de vier ploegen van de brandweer Harderwijk. Mede als gevolg van het tijdstip (de nacht van maandag op dinsdag, bovendien buiten het vakantieseizoen), is de opkomst hoog. Kort na de melding zijn 31 korpsleden met de drie bluseenheden en de hoogwerker ter plaatse.
De eerste bluseenheid pakt de brand aan via de voor- en rechterzijde van het pand, de tweede bluseenheid draagt zorg voor de linkerzijde en verdedigt daar de belendingen, terwijl de derde bluseenheid de waterwinning gaat verzorgen. De hoogwerker wordt opgesteld om ook met een torenstraal te kunnen blussen. Kort daarna arriveert de officier van dienst.
Twee korpsleden komen later ter plaatse met de hulpverleningswagen.
In de korte tijd tussen aankomst van de brandweer en het ongeval is nog veel onbekend. Slechts het gegeven van de uitslaande brand en de vermissing van een tweetal bewoners staat vast. Verdere gegevens moeten nog uit de verkenningen volgen. De bevelvoerders hebben op dat moment nog onvoldoende informatie om alle beschikbare korpsleden optimaal in te kunnen zetten. Ook is nog niet duidelijk langs welke routes de brandweer het pand veilig kan betreden. In deze chaotische fase van de brandbestrijding is er nog weinig structuur in de reddingsactie van de vermiste bewoners. In deze periode, zijn door individuele brandweerlieden initiatieven genomen die niet door een bevelvoerder werden beoordeeld en goedgekeurd. De details van de inzet in deze periode zijn achteraf niet meer helder in beeld te krijgen.

4.2 Het ongeval
Bij het ongeval waren drie hoofdbrandwachten betrokken. Twee van hen kwamen om bij de brand. Voor een duidelijke weergave van de gebeurtenissen zijn de directbetrokken hoofdbrandwachten genummerd. Nummer één en twee vormden de aanvals- c.q. reddings-ploeg, nummer drie was hun begeleider.
Kort nadat de inzet is begonnen, komen nog twee hoofdbrandwachten ter plaatse. Zij zijn vanwege de afstand van hun woning tot de kazerne meestal wat later dan de anderen en hebben, zoals niet ongebruikelijk is, de nog beschikbare hulpverleningswagen benut om bij de brand te komen. Zij komen daar aan in het eerste stadium van de brandbestrijding.
Aan de voorzijde is de brand uitslaand. Op dat moment wordt reeds zowel aan de linker- als de voor- en de rechterzijde van het pand ingezet. De derde bluseenheid is bezig de watervoorziening te regelen.
Het is gebruikelijk, dat personeel dat later arriveert, zich meldt bij hun bevelvoerder.
Dat gebeurt in dit geval niet. Eén van de twee, de latere nummer één of twee, hangt een ademluchttoestel om en begeeft zich naar de steeg naast het pand. De ander, de latere nummer drie, bekijkt het pand eerst aan de voorzijde en gaat daarna ook naar de steeg.
In de steeg roept een van de aanwezige brandweermensen hem toe: “Wil je mee naar binnen?”. Hij beantwoordt de vraag positief en gaat terug naar zijn voertuig om een adem-luchttoestel om te hangen. Nadat hij dat gedaan heeft gaat hij weer de steeg in en treft daar een ladder aan die naar een raam op de eerste verdieping leidt (raam 2 op tekening, bijlage 1).
Achter dat raam is geen brand en slechts lichte rook te zien; de kamer eronder (raam 3) is eveneens brandvrij.
Onderaan de ladder staat een aantal brandweerlieden met ademluchttoestellen en er is een lage druk blusstraal beschikbaar. Er is geen bevelvoerder aanwezig. Aangezien het op dat moment bekend is dat er nog twee bewoners worden vermist, wordt er tot een zoekactie via het raam (raam 2) op de eerste verdieping besloten. De eerdergenoemde twee hoofd-brandwachten gaan samen met een derde hoofbrandwacht, via de ladder, het pand in.
Zij dragen alle drie adembescherming en ze nemen de blusstraal mee. In de kamer op de eerste verdieping aangekomen, blijkt deze inderdaad brand- en vrijwel rookvrij te zijn (kamer 9, bijlage 2). Wanneer zij, op de voorgeschreven wijze, de (enige) deur van het vertrek openen, blijkt deze uit te komen op een soort halletje, waarin het links brandt. Na een korte blusactie is het vuur voldoende onder controle om de verkenning voort te zetten. Aan de rechterzijde blijkt zich een houten trap te bevinden (de blauwe trap naar kamer 10, zie foto 3, bijlage 4).

In onderling overleg wordt besloten dat nummer drie met de blusstraal de terugweg zal dekken, terwijl één en twee via de blauwe trap de achterste zolder (B) gaan verkennen.
Nummer drie hoort zijn collega’s boven zich de zolder verkennen (stampen, om de betrouw-baarheid van de vloerconstructie te testen). Plotseling komt links van hem een deel van het plafond naar beneden. Daarbij wordt brand zichtbaar. Hij probeert deze brand met zijn blusstraal te bestrijden.
De leidinggevenden en de aanvalsploegen, die een portofoon hebben op dezelfde frequentie, horen op de portofoonfrequentie dat de twee brandweermensen op zolder zijn ingesloten.
Dit bericht wordt ook op de alarmcentrale gehoord.
Nummer drie heeft geen portofoon en ontvangt het bericht niet. Wèl ziet hij de broer van een van de collega’s naar boven stormen en naar de blauwe trap gaan. Ook bovenaan de trap is nu brand zichtbaar. Nummer drie begrijpt nu wat er aan de hand is en tracht de brand bovenaan de trap te blussen maar hij is, ook doordat de blusstraal te kort is, kansloos.
Het verlengen van de blusstraal vergt enige tijd. Wanneer de fluit van het ademluchttoestel (reservedruksignalering) van de broer gaat, stuurt nummer drie hem naar buiten. Even later gaat ook zijn fluit. Hij blijft blussen totdat hij het gelaatstuk van zijn ademluchttoestel vacuüm
zuigt en verlaat dan het pand. Er is dan maximaal een kwartier verlopen sinds hij het pand is binnengegaan.

4.3 De reddingsacties
Nadat het bericht van de twee hoofdbrandwachten op zolder is ontvangen, worden reddingspogingen in gang gezet. De bij de zoldertrap aanwezige lagedruk blusstraal blijkt daarbij in eerste instantie te kort te zijn. De verlenging kost tijd en pogingen om meer bluskracht in te zetten komen te laat. De zolder brandt enkele seconden na het genoemde bericht in zijn geheel. Een poging om van buitenaf te redden, waarbij men van plan was om met een motorkettingzaag een gat in het dakbeschot te zagen, kost eveneens veel tijd en wordt gestaakt als blijkt dat dit door het vuur onmogelijk is.