nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 3 – De gemeentelijke brandpreventie

3.1 Het dossier van dit pand
3.2 Het preventiebeleid

3.1 Het dossier van dit pand
Nadat het pand zijn oude bestemming van winkel met bovenetage heeft verloren wordt in februari 1973 vergunning aangevraagd om het pand als logeerinrichting te mogen exploiteren. Waarschijnlijk is het dan al als zodanig in gebruik. Volgens de gemeentelijke verordening op Logeerinrichtingen is een vergunning vereist voor gebouwen waarin onderdak wordt geboden aan meer dan tien personen. De vergunning heeft mede tot doel de brandveiligheid in die inrichtingen te verzekeren.
Na een kennelijk moeizaam verlopen overlegtraject is in april 1975 een aantal brandveiligheidsvoorzieningen nog steeds niet aanwezig. Het college van burgemeester en wethouders stelt dan een ultimatum op straffe van sluiting op kosten van de exploitant. In december 1975 verleent het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk de vergunning. De meeste brandveiligheidsvoorzieningen worden op plattegronden aangegeven. Daarnaast wordt onder meer bepaald dat:

* voldaan moet worden aan de bij de vergunning gevoegde algemene voorwaarden;

* maximaal twintig personen in de inrichting gehuisvest mogen worden;

* ruimte 5 op de zolderverdieping niet voor huisvesting mag worden gebruikt (deze ruimte, de latere kamer 10, was toen alleen bereikbaar via een trap vanuit de keuken, tevens centrale verwarmingsruimte, op de verdieping).

In 1978 wordt gecontroleerd of de brandveiligheidsvoorzieningen in orde zijn. Er blijkt het nodige aan te mankeren. Voor het grootste deel gaat het om de brand- en rookcompartimentering, waaronder de uitvoering van eerder geëiste voorzieningen zoals de diepte van de aanslag van brandwerende deuren en de wijze waarop ‘brandwerende’ platen op deuren en plafonds zijn vastgeschroefd.
In 1979 blijken de gebreken, die in 1978 zijn geconstateerd, er nog steeds te zijn. Ook wordt in een intern stuk opgemerkt dat “de renovatie van de tweede verdieping en het dak in overleg met bouwtoezicht en de brandweer dient te gebeuren”.
In 1979 wordt de exploitant door het college van burgemeester en wethouders aangeschreven en gesommeerd binnen drie maanden de verbeteringen aan te brengen. Mogelijk in verband met de renovatie worden tevens vier plattegronden gevraagd die geheel overeenstemmen met de bestaande situatie.

De brief uit 1979 is de laatste over dit pand die bij de gemeente of de brandweer is aangetroffen. Wat met de gesignaleerde gebreken is gebeurd is niet duidelijk. Ook over verdere brandveiligheidscontroles en de renovatie van de zolderverdieping is niets gevonden.
Wél is na de brand in 1998 geconstateerd dat de trap, die toegang gaf tot kamer 10 op de zolderverdieping, naar de overloop was verplaatst en dat – in verband daarmee – ook het gebruik van enkele ruimten op de eerste verdieping was gewijzigd. Kamer 10 was inmiddels voor huisvesting in gebruik.
De gevraagde plattegronden zijn evenmin aangetroffen; het is niet duidelijk of ze ooit zijn ingediend.
3.2 Het preventiebeleid
In de archieven is weinig gevonden over de aanpak van de brandpreventie in Harderwijk in de jaren zeventig. In de tachtiger jaren is sprake van een reactief beleid. Dit houdt in dat naaraanleiding van aangevraagde bouw- of gebruiksvergunningen brandveiligheidsvoorwaarden worden gesteld. Periodieke controles vinden niet plaats. In 1985 komt er een preventie-functionaris, in eerste instantie voor twee dagen. Vanaf 1987 heeft deze vier dagen per week beschikbaar voor brandpreventie.
In 1987 brengt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een herziene versie van de model-brandbeveiligingsverordening uit. In Harderwijk wordt de Brandbeveiligings-verordening in 1989 conform het herziene model opnieuw vastgesteld. Tevens wordt geconcludeerd dat de hoofdreden voor de verordening op Logeerinrichtingen is vervallen.
Deze reden was destijds de soms erbarmelijke omstandigheden in de overbevolkte pensions, voor onder meer gastarbeiders, tegen te gaan. De brandveiligheid was daarbij een van de aandachtspunten. De verordening op Logeerinrichtingen wordt ingetrokken. In het advies aan het college van burgemeester en wethouders wordt opgemerkt dat de Brandbeveiligingsverordening voldoende mogelijkheden biedt om ten aanzien van de brandveiligheid in logeerinrichtingen regulerend op te treden.
De gebruiksvergunningen, die op grond van de oorspronkelijke Brandbeveiligingsverordening zijn verleend, worden via een overgangsartikel ‘omgezet’ in gebruiksvergunningen op grond van de herziene verordening en blijven op die manier geldig. Met de ‘logeervergunningen’ gebeurt niets. De gemeente staat hier niet verder bij stil.
Volgens de herziene Brandbeveiligingsverordening is voor logeerinrichtingen met meer dan vijf bewoners een gebruiksvergunning verplicht. Daarmee wijkt Harderwijk – mèt andere gemeenten – bewust en schriftelijk onderbouwd af van de norm van tien bewoners in het model van de VNG.
In 1992 treedt in Nederland de herziene bouwregelgeving in werking. De vergunningen op grond van de Brandbeveiligingsverordening worden ‘omgezet’ in gebruiksvergunningen op grond van de nieuwe Bouwverordening. Dit maal wijkt Harderwijk niet af van de norm van tien bewoners in het model van de VNG. De oorzaak kan zijn dat de brandweer ditmaal niet bij de vaststellingsprocedure betrokken is geweest.
Vanaf 1992 is in Harderwijk dus wederom een gebruiksvergunning verplicht voor logeerinrichtingen met meer dan tien bewoners.
Harderwijk heeft geen brandpreventiebeleidsplan en/of preventie-activiteitenplan. Tijdens dit onderzoek was een voorstel om dit op te stellen bij de brandweer in voorbereiding.
Vanaf 1989 wordt wel de brandveiligheid op peil gebracht van de gebruiksvergunning-plichtige gebouwen waar veel personen kunnen verblijven zoals restaurants, dancings, kerken en scholen, en wordt voor die gebouwen gebruiksvergunning verleend. De aanwezigheid van de geëiste voorzieningen in deze gebouwen wordt gecontroleerd en zo nodig na rappel opnieuw gecontroleerd. Voor zover daarnaast nog tijd beschikbaar is worden de gebouwen, waarvoor al een gebruiksvergunning is afgegeven, gecontroleerd. In het Beleidsplan gemeentebrandweer Harderwijk van 1993, dat in de betreffende raadscommissie is behandeld, is aangegeven dat meer aandacht zal worden besteed aan periodieke controles in de bestaande, meest kwetsbare gebouwen en dat dit ten koste zal gaan van de voorlichting over brandveiligheid. Omdat een preventiebeleidsplan ontbreekt komt echter niet vast te staan hoeveel gebouwen er zouden moeten worden gecontroleerd en met welke frequentie. Zodoende blijft de taakstelling voor de brandweer op dit punt onduidelijk.
De beschikbare capaciteit van 0,8 fte van de preventiefunctionaris van Harderwijk inclusief enige ondersteuning van de regionale brandweer is slechts voldoende voor de advisering bij afgifte van bouwvergunningen en de beoordeling van de aanvragen voor gebruiks-vergunningen.
Periodieke controles vinden dan ook slechts zeer beperkt en ad-hoc plaats.

Voor het ziekenhuis en de verzorgings- en bejaardenoorden is overigens begin 1998 nog geen gebruiksvergunning afgegeven.
Uit de bovenstaande gang van zaken blijkt dat:

* De gemeente in de jaren zeventig heeft getracht het pand voldoende brandveilig te maken met als basis een goede brand- en rookcompartimentering;

* De toenmalige exploitanten aan de brandveiligheid geen enkele prioriteit hebben toegekend;

* De gemeente en de brandweer sinds 1979 geen bemoeienis meer met het pand hebben gehad, terwijl er toch forse mankementen aan de brand- en rookcompartimentering waren geconstateerd en tevens sprake was van verbouwing van de zolderverdieping;

* Harderwijk geen preventiebeleidsplan en/of preventie-activiteitenplan heeft;

* Er vooral door capaciteitsgebrek nauwelijks periodieke brandveiligheidscontroles worden uitgevoerd;

* Vanaf 1989 onduidelijk is of de gebruiksvergunning voor het pand Smeepoortstraat 35 nog geldig is.