nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 2 – Het pand

2.1 Algemeen
2.2 Brandveiligheid

2.1 Algemeen
Het pand Smeepoortstraat 35 bestaat uit een samentrekking van (vermoedelijk) een drietal historische panden. Het vormt met de belending (nr. 33) tot op zekere hoogte een bouwkundige eenheid. Het pand is gedekt met een tweetal parallel aan de Smeepoortstraat lopende schilddaken, waaronder zich zolders bevinden zie bijlage 1).Het pand is al vele jaren in gebruik als verblijfsinrichting.
Bij de verbouwingen en aanpassingen in het verleden zijn bestaande constructies vaak niet verwijderd, maar afgedekt. De laatste eigenaar, die het pand in 1993 heeft gekocht, brengt daarna verlaagde systeemplafonds en voorzetwanden van gipsplaat aan, waarmee tevens een extra brandwerendheid wordt verkregen. Het gebouw maakt op het eerste gezicht dan ook een degelijke en netjes onderhouden indruk.
In januari 1998 staat het pand als kamerverhuurbedrijf bekend. Er wonen volgens opgaaf van de politie twaalf mensen.
In het gemeentelijk archief is geen nauwkeurige beschrijving gevonden van de feitelijke bouwkundige situatie in het pand ten tijde van de brand. Uit een brandveiligheidsrapport van 1979 blijkt dat toen al de beschikbare plattegronden niet overeenkwamen met de werkelijke situatie. In deze rapportage wordt daarom voornamelijk uitgegaan van de, na de brand, in de puinhopen gevonden aanwijzingen hieromtrent.

2.2 Brandveiligheid
In de jaren zeventig zijn in het pand brandveiligheidsvoorzieningen aangebracht die waren afgestemd op het gebruik als logeerinrichting.
Het pand is traditioneel gebouwd en bevat de nodige brandbare bouwconstructies zoals houten vloeren en trappen. De brandcompartimentering is voor een belangrijk deel verkregen door deuren en plafonds te bekleden met plaatmateriaal met een brandwerende functie.
Dit moet vakkundig gebeuren om te voorkomen dat de platen bij brand loslaten. Enkele jaren na het aanbrengen is geconstateerd dat veel platen in dit pand ondeugdelijk waren bevestigd.
Verder kan de bekleding door onzorgvuldig gebruik, door de aanleg van leidingen en door andere aanpassingen gemakkelijk worden beschadigd en zo haar brandwerende functie verliezen. Ook als gevolg hiervan kan een brand al snel toegang krijgen tot de zeer brandbare vloer- en plafondconstructies. Later zijn met de verlaagde plafonds en de voorzetwanden nog meer verborgen, al dan niet met elkaar in verbinding staande, holtes gecreëerd.
Achter een ogenschijnlijk brandveilig uiterlijk gaat zodoende een nogal brandgevaarlijk pand schuil, waarin een brand zich onzichtbaar en dus ook onvoorspelbaar kan uitbreiden. Na de brand is geconstateerd dat tussen de gang op de begane grond en de hoofdtrap naar boven geen deur aanwezig was (zie bijlage 2, plattegrond begane grond, direct naast kamer 3).,

Deze schuifdeur moest, volgens een brief van het gemeentebestuur van 1979, zestig minuten brandwerend zijn en automatisch sluiten na doorsmelten van een smeltdraad.
De brand- en rookcompartimentering heeft in 1998 dan ook niet gefunctioneerd zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Dit geldt ook voor de vluchtmogelijkheden bij brand.
De brand- en rookcompartimentering spelen namelijk een belangrijke rol bij de bruikbaarheid van de inpandige vluchtroutes.
Een automatische rook- en/of brandmeldinstallatie was niet aanwezig. In de jaren zeventig was dat voor dit type inrichting ook niet gebruikelijk.
In het gebouw waren noodverlichting, enkele blustoestellen en een slanghaspel aanwezig.
Om het brandveilig gebruik van het pand te bevorderen was, naast de gebruikelijke voorschriften, toentertijd voorgeschreven dat er op de kamers niet mocht worden gekookt.