nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 10 – Conclusies en aanbevelingen

10 Conclusies en aanbevelingen
10.2 Preparatie en repressie

10 Conclusies en aanbevelingen
In Harderwijk zijn, naast een bewoner, twee brandweermensen omgekomen tijdens een reddingsactie en de brandbestrijding in het kamerverhuurbedrijf aan de Smeepoortstraat, nummer 35.
Als eerste worden in dit hoofdstuk de conclusies omtrent het ongeval in Harderwijk gegeven.
Vervolgens wordt aangegeven in hoeverre deze ook meer algemeen van toepassing zijn.
De bevindingen van ‘Harderwijk’ zijn hiertoe gecombineerd met relevante informatie uit ander, ook landelijk, onderzoek. De aanbevelingen zijn, zoveel mogelijk algemeen gericht om tot een optimaal verbetereffect te komen.

10.1 Brandpreventie
Algemeen
Het pand Smeepoortstraat 35 was onvoldoende brandveilig. Dit is primair veroorzaakt doordat de exploitanten in de jaren zeventig een deel van de voorgeschreven voorzieningen achterwege hebben gelaten, ondanks regelmatig aandringen van de gemeente. Ook de tolerante en weinig doortastende houding van de gemeente heeft daarbij een rol gespeeld.
In 1979 is de bemoeienis van de gemeente met dit pand volledig gestopt, terwijl bekend was dat nog essentiële voorzieningen ontbraken. In Harderwijk vinden periodieke brandveilig-heidscontroles vrijwel niet plaats. De preventiefunctionaris komt daar niet echt aan toe.
Voor het bereiken en instandhouden van het vereiste niveau van brandveiligheid is een actieve inbreng van zowel exploitant als gemeente noodzakelijk. Daarbij hoort de verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid in eerste instantie bij de exploitant te liggen en dient de gemeente het vereiste niveau aan te geven en door middel van controles op de handhaving hiervan toe te zien. Gebeurt dat niet, dan zal het in aanvang bereikte niveau van brandveiligheid niet worden bereikt en/of zal het in aanvang bereikte niveau snel weer afnemen.
Het langdurig in de clinch liggen met exploitanten, die hun beroepsmatige zorg voor de veiligheid niet serieus nemen, vraagt bovendien veel extra capaciteit van de brandweer waardoor andere activiteiten zoals periodieke controles in het gedrang komen.
Uit landelijk onderzoek van het onderzoeksbureau van de VNG uit 1994 naar de uitvoering van de brandpreventie en uit de voortgangsrapportage van het Project Versterking Brandweer van oktober 1996 blijkt het periodiek controleren en handhaven van de brandveiligheid ook landelijk een knelpunt te vormen. Bij de milieuzorg zijn overeenkomstige problemen inmiddels via een effectief handhavingsbeleid vergaand opgelost.

Aanbeveling:
Het is gewenst om de problemen bij de controle en handhaving van de brandveiligheid en de mogelijke oplossingen op landelijk niveau te inventariseren en analyseren. Aan deze analyse zouden naast functionarissen van de brandweer en van bouwtoezicht, van de VNG en van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, ook deskundigen op het gebied van de milieuhandhaving, van het Openbaar Ministerie en van de koepel-organisaties van horeca en andere betrokken organisaties moeten deelnemen. Parallel daaraan zou zo snel mogelijk aan de gemeenten bekend moeten worden gemaakt welke oplossingen nu reeds bestaan.

Brandpreventiebeleid
In Harderwijk zijn door het ontbreken van een preventiebeleidsplan en een preventie-activiteitenplan knelpunten, zoals het achterwege blijven van periodieke controles, en de gevolgen daarvan onvoldoende zichtbaar gemaakt voor het gemeentebestuur. Verder is hierdoor een belangrijk middel onbenut gebleven om de effectiviteit en efficiency van de brandpreventie te verbeteren. Uit de eerder genoemde, overige onderzoeken blijkt dat het ontbreken van preventiebeleid en van activiteitenplannen een algemeen voorkomend probleem is. Bovendien zou in het algemene brandweerbeleid veel duidelijker naar voren moeten komen dat ook het risico, dat het brandweerpersoneel bij brand loopt, afhankelijk is van de brandveiligheidsvoorzieningen in de betreffende bouwwerken of andere objecten.
Met de nieuwe model-verordening brandveiligheid en hulpverlening van de VNG, wordt het totstandkomen van preventiebeleid gestimuleerd.

Aanbeveling:
De totstandkoming van gemeentelijk preventiebeleid en de planmatige uitvoering hiervan moet verder worden bevorderd. Daarbij dient ook de relatie tussen de brandveiligheid van bouwwerken en de veiligheid van de brandbestrijders aan de orde te komen.
Een eerste stap kan zijn het inventariseren van de mate waarin de knelpunten, die in het kader van het Project Versterking Brandweer bij de brandpreventie zijn geconstateerd, in de plannen van aanpak aan de orde komen.

Regelgeving
Uit navraag bij verschillende organisaties tijdens dit onderzoek is gebleken dat de mogelijkheden, die de herziene bouwregelgeving biedt om kamerverhuurbedrijven te beveiligen, onvoldoende bekend zijn. Bovendien bestaan hierover misverstanden. Dit kan ertoe leiden dat in gemeenten noodzakelijke voorwaarden niet worden gesteld met als gevolg dat kamerverhuurbedrijven onvoldoende brandveilig zijn.

Aanbeveling:
Het is gewenst dat de gemeenten op korte termijn worden geïnformeerd over de mogelijkheden, die de herziene bouwregelgeving biedt om de brandveiligheid van kamerverhuurbedrijven te verzekeren.
Verder lijkt het gewenst te inventariseren of er ook op andere gebieden misverstanden bestaan omtrent de toepassing van de herziene bouwregelgeving.

10.2 Preparatie en repressie
Risico’s bij brandweeroptreden
In Harderwijk was er, bij aankomst van de brandweer, sprake van een uitslaande brand in een complex gebouw in de oude binnenstad. Extra voorzichtigheid bij een eventuele inzet in het pand is dan noodzakelijk. De afweging tussen het belang van een zoekactie naar eventuele vermiste bewoners en de risico’s voor de brandweer dienen door de bevelvoerder en/of de officier van dienst te worden gemaakt. Met het oog op de veiligheid van het brandweer-personeel is het zijn taak om voortdurend te bewaken wie, wanneer en waar het pand betreedt.

Bij verschillende branden in het verleden is gebleken dat, als een brand zich al enige tijd heeft kunnen ontwikkelen, een binnenaanval of verkenning erg riskant kan zijn voor de betrokken brandweerlieden. Hoogeveen (1982), Noordwijk (1990), Langerak (1993) en Amsterdam (1995) vormen hier voorbeelden van.
Opleidingen, geoefendheid en ervaring zijn belangrijk, maar ook de manier waarop men gewend is om op te treden (cultuur) speelt hierbij een rol. Systematisch evalueren van het daadwerkelijk optreden in samenhang met het oefenen kan een sterk hulpmiddel zijn bij de bewustwording van de zwakke punten in het complexe proces van het repressief optreden.

Aanbeveling:
Het systematisch evalueren van daadwerkelijk optreden en van oefeningen dient verder gestimuleerd te worden.
Het verwerken van de leereffecten uit de inspectierapporten over ongevallen onder brandweerpersoneel en uit overige studies op dit gebied, in lesstof, in praktijkgerichte procedures en in oefenscenario’s moet met voortvarendheid worden aangepakt.

Opleiden
De brandweer Harderwijk heeft flink geïnvesteerd in opleidingen. De specifieke praktijk-omstandigheden, die behoren bij het daadwerkelijke optreden bij brand (rook en hitte), zijn bij de brandwachtopleidingen doorgaans niet in de praktijklessen ingebouwd.
Het gebruik van adembescherming kan goed in de huidige oefencentra aangeleerd worden waarbij de aanwezigheid van rook en hitte van belang zijn. Dit alles geeft echter geen leereffecten over de wijze waarop een echte brand zich gedraagt, voortplant en zich al dan niet laat blussen. In het verleden was het gebruikelijk dat slooppanden benut werden voor opleidingen. In dergelijke panden werd echte praktijkervaring opgedaan.

Aanbeveling:
In de opleidingen zullen voldoende realistische leermomenten moeten zijn ingebouwd. Het lijkt onvermijdelijk dat dit voor een deel met geënsceneerde praktijkbranden gebeurt. Op langere duur is het wellicht mogelijk de inrichting van geënsceneerde branden met computersimulaties (virtual reality), te ondersteunen voor het bereiken van een optimaal leereffect. Hiervoor zullen investeringen gedaan moeten worden.

Oefenen
De aangeleerde vaardigheden op het gebied van redding en brandbestrijding worden in Harderwijk niet door realistisch oefenen onderhouden. Het werken met vuur is bij oefeningen uit milieu-oogpunt zelfs niet meer mogelijk op grond van een verbod tot het gebruik van open vuur in de Brandbeveiligingsverordening van Harderwijk.
Ervaring met het redden, het toepassen van blustechnieken en het inschatten van gevaren kan hierdoor alleen in de praktijk zelf worden opgedaan.
De gemeente Harderwijk staat met het beperkt opdoen van praktische ervaring niet alleen.
In het recente inspectierapport over de kwaliteit van het repressieve brandweerpersoneel wordt de combinatie van te weinig oefenen en een lage incidentfrequentie als een van de grootste knelpunten genoemd, samen met het onvoldoende realistisch oefenen van de brandbestrijdingsinzet.

Aanbeveling:
Ook voor oefeningen zullen realistische branden, zowel in bestaande gebouwen (slooppanden) als oefencentra noodzakelijk zijn.
Een inventarisatie van de gemeenten die er zijn met een verbod op het gebruik van vuur voor het oefenen is wenselijk. Zo nodig dienen landelijk maatregelen te worden genomen om te bevorderen dat bij oefeningen van de brandweer voldoende gewerkt kan worden met vuur.

Onder bepaalde omstandigheden kan het voorkomen dat (veel) meer brandweerlieden beschikbaar zijn dan de bezetting van de voor de betreffende inzet benodigde functies.
In Harderwijk zijn voor elke functie twee vrijwilligers in dienst. De huidige opleidingen en oefeningen zijn onvoldoende afgestemd op de noodzakelijke span of control bij de inzet van alle brandweerlieden bij een maximale opkomst in vrijwillige korpsen.

Aanbeveling:
Met name de wijze waarop met de overcapaciteit, die vooral in middelgrote vrijwilligers-korpsen vaak op de plaats van het incident optreedt, wordt omgegaan dient (in verband met de span of control van de leiding) aandacht te worden besteed.

De inspecteur Brandweerzorg en Rampenbestrijding,
M.J. Kruidenier