nationaal brandweer documentatie centrum

Hoofdstuk 3

Eindrapport vliegtuigongeval Eindhoven (15 juli 1996) – hoofdstuk 3: Preparatie

In dit hoofdstuk wordt een aantal algemene aspecten van de voorbereiding op de ongevalsbestrijding behandeld die een relatie hebben met de activiteiten die zijn ontplooid in het kader van de ongevalsbestrijding bij het vliegtuigongeval op 15 juli 1996.
In het eerste deel van de rapportage (oktober 1996) is aandacht besteed aan de preparatie van de primaire hulpverlening op het ongevalsterrein. In dit deel zullen de overige aspecten van de preparatie worden behandeld. Met name zal worden ingegaan op de planvorming en de geoefendheid.
In het belang van een goede analyse van de in de hoofdstukken vier tot en met negen van dit eindrapport beschreven gebeurtenissen, worden bepaalde preparatieve aspecten soms (ook) daar behandeld.
Voor een verklaring van de begrippen wordt verwezen naar bijlage B.

3.1 Beschrijving van de preparatie
3.1.1 Plannen
3.1.3 Opleiding en oefening
3.2 Analyse
3.3 Conclusies
3.4 Aanbeveling

3.1 Beschrijving van de preparatie

3.1.1 Plannen
Rampenplan.
De gemeente Eindhoven beschikt over een rampenplan dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 17 mei 1993. In verband met de uniformiteit in de regio is door het bureau van de regionale brandweer een modelplan ontwikkeld. Op basis van dat model is in alle gemeenten in de regio een rampenplan vastgesteld.

Het opperbevel van de rampenbestrijding berust bij de burgemeester. Deze laat zich bijstaan door een rampenstaf. Deze rampenstaf bestaat uit een beleidsteam en een operationeel team. Het beleidsteam adviseert de burgemeester omtrent de te nemen beleidsbeslissingen. Het operationeel team houdt zich bezig met het aansturen van de verschillende actiecentra van de diverse gemeentelijke en regionale diensten en het commando rampterrein.

Het rampenplan is een organisatieplan, waarin in algemene zin is aangegeven hoe in geval van een ramp gehandeld dient te worden.
Afhankelijk van de soort ramp zijn verschillende hulpverleningsactiviteiten noodzakelijk. Deze worden in dit plan in de vorm van een 26-tal processen beschreven. De voor dit ongeval relevante beschreven processen zijn:

* alarmering bestuur en uitvoerenden;
* redding, brandbestrijding en hulpverlening;
* voorlichting;
* afzetten/afschermen;
* verkeer regelen;
* handhaven rechtsorde;
* geneeskundige hulpverleningsketen;
* opvang en verzorging;
* registreren van slachtoffers;
* identificeren van slachtoffers;
* begidsen;
* strafrechtelijk onderzoek;
* geestelijke zorg;
* verslaglegging en evaluatie.

De uitvoering van die processen is aan verschillende gemeentelijke diensten opgedragen. De (regionale) draaiboeken voor de verschillende processen moeten nog worden uitgewerkt.
In een supplement staan de instructies, draaiboeken en uitgewerkte plannen per organisatie, waarin aangegeven staat op welke wijze de opgelegde taak zal worden uitgevoerd. Er is in het rampenplan geen specifiek proces waarin de opvang van verwanten van slachtoffers wordt beschreven.
In het proces -opvang en verzorging- is sprake van opvang van niet gewonde slachtoffers. Er wordt verwezen naar een regionaal plan opvang en verzorging. Dit regionaal plan is er echter nog niet.
Door het nog niet gereed zijn van het regionale plan opvang en verzorging, biedt het rampenplan van de gemeente Eindhoven weinig houvast voor de opvang van de verwanten van de slachtoffers.

Rampbestrijdingsplan Welschap.
Dit plan is ontstaan onder regie van de gemeente Eindhoven met medewerking van de Vliegbasis Eindhoven (militair deel van de luchthaven), Eindhoven Airport (civiel deel van de luchthaven) en de Koninklijke Marechaussee. Het plan is op 24 maart 1995 vastgesteld door de burgemeester van Eindhoven.
Dit plan beschrijft een negental scenarios, drie voor vliegtuigongevallen, drie voor andere ongevallen en drie voor geweldsdelicten.
Ten aanzien van vliegtuigongevallen onderkent het plan drie scenario’s:

Scenario 1. Klein luchtvaartongeval.
Het luchtvaartongeval zal geen effect geven buiten het luchtvaartterrein. Het incident omvat een in bedrijf zijnd vliegtuig zonder betrokkenheid van gebouwen/opstallen. Er vallen niet meer dan twee gewonden/doden.

Scenario 2. Middel luchtvaartongeval.
Het luchtvaartongeval zal geen effect geven buiten het luchtvaartterrein. Het incident omvat een in bedrijf zijnd vliegtuig waarbij mogelijk opstallen of gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er vallen niet meer dan tien gewonden/doden.

Scenario 3. Groot luchtvaartongeval.
Het luchtvaartongeval zal geen effect geven buiten het luchtvaartterrein. Het incident omvat een in bedrijf zijnd vliegtuig waarbij mogelijk opstallen of gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Er vallen meer dan tien gewonden/ doden, waarbij een aanname van 75 gewonden/doden als uitgangspunt zal fungeren.

Het rampbestrijdingsplan Welschap bevat voor elke betrokken dienst een actieplan. In een dergelijk actieplan is opgenomen, welke acties de betreffende dienst moet uitvoeren. Die acties kunnen per scenario verschillend zijn. Diverse diensten hebben hun actieplan weer vertaald in deelactieplannen. Een deelactieplan is bijvoorbeeld een instructie voor de centralist. In deze instructie staan alleen de voor de werkzaamheden van de centralist relevante zaken, zoals welke eenheden en welke personen er gegeven een scenario gealarmeerd moeten worden.

Calamiteitenplan Vliegbasis Eindhoven/N.V. Vliegveld Welschap.
Het calamiteitenplan is een vertaling van het rampbestrijdingsplan Welschap voor gebruik op de luchthaven. Het is door de vliegbasis in overleg met de regionale brandweer opgesteld. Het is vastgesteld op 9 juni 1994 en is ondertekend door de commandant Vliegbasis Eindhoven en de directeur Eindhoven Airport.
Het bevat evenals het rampbestrijdingsplan Welschap de negen scenarios en het actieplan voor de Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport.

In het calamiteitenplan staat een aantal nadere regelingen, zoals:

* toegangsregeling van de vliegbasis tijdens calamiteiten;
* regelingen omtrent het beheer van het calamiteitenplan;
* regeling van interne bevelvoering.

In het calamiteitenplan is een aantal deelplannen opgenomen, te weten:
* alarmering;
* overledenen;
* bijstand;
* voorlichting;
* opvang ongedeerden;
* verkeer;
* opvang afhalers/wegbrengers;
* berichtgeving terminal;
* geneeskundige hulpverlening;
* verbindingen.

Het deelplan opvang afhalers/wegbrengers bevat onder andere:

* instructies voor het personeel van de luchthaven;
* de plaats van de opvangruimte (Philips Vliegbedrijf) en een alternatieve plaats (European Fashion Center).

3.1.2 Bemensing en taken van de staven volgens de plannen
Scenario 1.
Een ongeval volgens scenario 1 wordt door de vliegbasis zelfstandig afgehandeld. Naast de primair hulpverlenende eenheden van vliegbasis-brandweer, militair geneeskundige dienst en marechaussee wordt bij scenario 1 de officier van dienst van de gemeentelijke brandweer gewaarschuwd. Deze stelt zich ter plaatse op de hoogte van de situatie. Alle eenheden van de vliegbasis treden zelfstandig op.
Er worden bij de bestrijding van een vliegtuigongeval volgens scenario 1 drie militaire overlegstructuren geformeerd.

Emergency committee.
(in ruimte op Eindhoven Airport)

* commandant Vliegbasis Eindhoven (voorzitter);
* directeur Eindhoven Airport;
* commandant KMAR.

Beleidsgroep.
(in ruimte op Eindhoven Airport)

1 plv. commandant Vliegbasis Eindhoven (voorzitter);
2 plv. directeur Eindhoven Airport;
3 plv. commandant KMAR.

Commando rampterrein.
(in de brandweerkazerne van de vliegbasis)
In het calamiteitenplan worden geen functionarissen genoemd die deelnemen aan het commando rampterrein. Er wordt volstaan met de opmerking dat de samenstelling van het commando rampterrein een afspiegeling dient te zijn van de essentiële processen op het rampterrein.

Scenario 2
Bij een ongeval volgens scenario 2 berust de leiding van de ongevalsbestrijding bij de civiele autoriteiten.
Het commando rampterrein staat dan onder leiding van de officier van dienst van de gemeentelijke brandweer.

Commando rampterrein.
(in de brandweerkazerne van de vliegbasis)

* officier van dienst brandweer (comman-dant rampterrein);
* officier brandweer Eindhoven;
* commandant afdeling Politiedienst KMAR;
* medisch leider GGD;
* on scene commander vliegbasis.

De officier van dienst van de gemeentelijke brandweer treedt op als commandant rampterrein. De medisch leider van de GGD coördineert de inzet van zowel de militaire als de civiele geneeskundige eenheden.
Het rampbestrijdingsplan geeft aan:

Het commando rampterrein verstrekt aan elke dienst de opdrachten die nodig zijn voor een goede taakuitvoering binnen het rampterrein; zowel voor de parate als bijstandsverlenende diensten. Bevordert de directe afstemming tussen de betrokken diensten en organisaties en treft alle maatregelen die een adequate bestrijding mogelijk maakt.

Scenario 3.
Bij een bestrijding van een vliegtuigongeval volgens scenario 3 worden de volgende staven geformeerd:

Beleidsteam.
(in brandweerkazerne Eindhoven)

* burgemeester (opperbevel);
* commandant brandweer;
* districtscommandant KMAR
* directeur GGD;
* commandant vliegbasis-directeur Eindhoven Airport;
* eventueel diensthoofd(en) gemeentelijke diensten;
* hoofd voorlichting.

Operationeel team.
(in brandweerkazerne Eindhoven)

* commandant van dienst brandweer (operationeel leider);
* officier brandweer;
* brigadecommandant KMAR;
* liaison regionale politie;
* hoofd sectie Geneeskundige Aangelegenheden;
* liaison Centrale Post Ambulancevervoer;
* liaison Militair Geneeskundige Dienst;
* plv. commandant vliegbasis;
* eventueel vertegenwoordiger(s) gemeentelijke diensten;
* voorlichter.

Commando rampterrein.
(in de brandweerkazerne van de vliegbasis)

* officier van dienst brandweer (commandant rampterrein);
* officier brandweer Eindhoven;
* commandant afdeling Politiedienst KMAR;
* medisch leider GGD;
* on scene commander vliegbasis.

Het rampbestrijdingsplan geeft aan:

Opperbevelhebber (burgemeester):
Laat zich bijstaan door de samengestelde gemeentelijke rampenstaf.
Neemt alle beslissingen en geeft alle bevelen (gehoord zijn staf) die de adequate bestrijding nodig maken. Zit de rampenstaf voor, neemt beleidsbeslissingen en stelt prioriteiten. Is verantwoordelijk voor de aansturing en uitvoering van de voorlichting.

Operationeel leider:
Is belast met het vertalen van beleidsopdrachten van de burgemeester naar uitvoeringsopdrachten voor de bij de rampbestrijding betrokken diensten en organisaties. Is verantwoordelijk voor de coördinatie van die diensten en organisaties en neemt alle maatregelen die een adequate toepassing van het rampbestrijdingsplan vergen.

3.1.3 Opleiding en oefening
De invulling van de functies bij grootschalig optreden is beschreven in een door de regionale brandweer opgesteld rapport Rampenbestrijding/ Grootschalig optreden, indeling functies 1996. Hierin zijn niet de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marechaussee opgenomen. De functionarissen van de GGD, politie en brandweer die functies vervullen in de diverse rampbestrijdingsstaven hebben hiervoor een opleiding gehad.
Alle burgemeesters en vrijwel alle loco-burgemeesters in de regio hebben deelgenomen aan een oefening waarin de rol als opperbevelhebber centraal stond. Deze oefening werd gevolgd door een oefening waarin de samenwerking met het regionale beleidsteam aan de orde kwam. De meeste gemeentelijke rampenstaven in de regio zijn in 1995 een keer geoefend. Dit is gebeurd aan de hand van een oefenscenario bestemd voor een kleine gemeente. Dit scenario is niet geschikt voor een grote gemeente, zoals Eindhoven. Daar een voor een grote gemeente geschikt scenario nog niet gereed is, is er door de gemeente Eindhoven nog niet geoefend.
De regio hanteert een vierjarig oefenplan waarin ook multidisciplinaire oefeningen (politie, brandweer en GGD) zijn opgenomen. Stafoefeningen op basis van het rampbestrijdingsplan Welschap zijn er echter niet gehouden.

3.2 Analyse
Geschiedenis van de plannen.
Tot 1 januari 1994 viel de vliegbasis onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeente Veldhoven. Zodra bekend werd, dat de gemeente Eindhoven deze verantwoordelijkheid zou overnemen, zijn vanuit de gemeente Eindhoven initiatieven ontplooid om te komen tot een goede samenwerking met de leiding van de Vliegbasis Eindhoven Airport.
Er bleek toen een calamiteitenplan voor de vliegbasis te zijn, dat niet in overeenstemming was met de Rampenwet. In 1993 was er een open dag op de vliegbasis. De contacten tijdens die open dag tussen de vliegbasis en de civiele hulpverleningsdiensten waren aanleiding om een rampbestrijdingsplan voor de vliegbasis te ontwikkelen. Hierbij is gebruik gemaakt van de gezamenlijke circulaire van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Defensie over de bevoegdheden bij incidenten (EB 92/2931 en D C 92/264 d.d. 23 april 1993). In deze circulaire wordt onder meer gesteld dat:

* de in de Rampenwet neergelegde verantwoordelijkheden en bevoegdheden eveneens van toepassing zijn op terreinen en activiteiten van defensie,
* informatie-uitwisseling en afstemming van de door gemeenten en defensie te verrichten preparatieve en repressieve activiteiten noodzakelijk is.

In het oorspronkelijke calamiteitenplan had de commandant van de vliegbasis de leiding van de hulpverlening. In de nieuwe situatie heeft de burgemeester het opperbevel.
Het aldus ontwikkelde rampbestrijdingsplan is in overeenstemming met de Rampenwet en het gestelde in bovengenoemde circulaire gerealiseerd. Het bestaande calamiteitenplan is daarna afgestemd op het rampbestrijdingsplan.

De taakstelling van de Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport.
De afgelopen jaren heeft zich een wijziging in de taakstelling van de Vliegbasis Eindhoven voltrokken. De operationele taakstelling met jachtvliegtuigen heeft plaatsgemaakt voor een logistieke taakstelling. De aard van de militaire vliegtuigen is daarmee veranderd: van jachtvliegtuigen tot grote transportvliegtuigen. Met de transportvliegtuigen kunnen ook grote aantallen (militaire) passagiers vervoerd worden. Het rampbestrijdingsplan is in diezelfde periode ontwikkeld. De daarin opgenomen scenarios maken geen onderscheid tussen militaire en civiele vliegtuigen. Het rampbestrijdingsplan is toegesneden op de taakstelling van de Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport.

Plannen.
In de Rampenwet staat in artikel 7:

De burgemeester stelt voor elke ramp, waarvan de plaats, de aard en de gevolgen voorzienbaar zijn, een rampbestrijdingsplan vast, waarin het geheel van bij die ramp te nemen maatregelen is opgenomen.

Het ontwikkelen van een rampbestrijdingsplan voor een object als de Vliegbasis Eindhoven is, gezien de specifieke gevaren en in verband met de coördinatie van de civiele en militaire hulpverleningsorganisaties, als noodzakelijk te beschouwen.

In het rampbestrijdingsplan wordt een opsomming gegeven van de door de verschillende betrokken diensten in te zetten eenheden en de uitvoering bij de verschillende scenarios. Door de opzet van het rampbestrijdingsplan als een operationeel inzetbevel en de omvang (50 paginas met diverse bijlagen) is het niet gemakkelijk toegankelijk.
Niet alle regionale draaiboeken van de verschillende rampbestrijdingsprocessen, waarnaar in het rampbestrijdingsplan verwezen wordt zijn beschikbaar. Alleen een door een regionale werkgroep voorbereid plan voor de voorlichting is klaar. In dit plan is sprake van een pool van voorlichters. Dit zijn gemeentelijke voorlichters die zijn opgeleid en geoefend voor het werken in een rampenbestrijdingsorganisatie.

In het rampbestrijdingsplan is een aantal zaken geregeld die in de praktijk niet realistisch zijn. Zo heeft bijvoorbeeld bij scenario 3 de commandant vliegbasis een functie in het beleidsteam en de plv. commandant vliegbasis een functie in het operationeel team. Beide staven zijn gesitueerd in de kazerne van de brandweer Eindhoven. Het is niet realistisch om in het plan voor te schrijven dat beide functionarissen bij een calamiteit de vliegbasis zullen verlaten.

De Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport hanteert voor het eigen gebruik tijdens incidenten op de vliegbasis een calamiteitenplan. Voor een calamiteitenplan bestaat geen wettelijke basis. De voor de vliegbasis belangrijke gegevens uit het rampbestrijdingsplan zijn opgenomen in dit calamiteitenplan. Ook is een aantal voor de vliegbasis relevante nadere regelingen vermeld.
Op de vliegbasis is één exemplaar van het rampbestrijdingsplan aanwezig. Aangezien bij de deelnemers aan de hulpverlening op de vliegbasis alleen het calamiteitenplan bekend is, ontbreekt het zicht op de relevante rampenbestrijdingsactiviteiten buiten de vliegbasis.
In het calamiteitenplan staat een aantal zaken die tot verwarring kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld:

* Volgens het calamiteitenplan wordt er bij scenario 1 een (militair) commando rampterrein geformeerd. Dit commando rampterrein vervult in feite de functie van actiecentrum en is daarmee qua taakstelling niet te vergelijken met de in het rampbestrijdingsplan genoemde commando rampterrein bij de scenarios 2 en 3.
* De functie van het emergency committee en de beleidsgroep bij de scenarios 2 en 3 is niet duidelijk. Volgens het calamiteitenplan stelt het personeel van de Vliegbasis Eindhoven en N.V. Vliegveld Welschap zich bij het overschrijden van de overheidsdrempel dienstbaar op aan de gezagsdragers van de gemeente, met behoud van eigen verantwoordelijkheid. Bij scenario 2 zouden zowel het emergency committee als de beleidsgroep zich dus dienstbaar op moeten stellen aan de commandant rampterrein. Bij scenario 3 bestaan zowel het emergency committee als de beleidsgroep uit nog maar één functionaris. De overige functionarissen hebben een taak in het beleidsteam c.q. het operationeel team van de gemeente. Bij scenario 3 kan dientengevolge niet meer gesproken worden van een emergency committee en een beleidsgroep.

In het calamiteitenplan is een deelplan opvang afhalers/wegbrengers opgenomen. Hoewel dit summiere plan in eerste instantie bestemd is voor het civiele deel van de vliegbasis, namelijk Eindhoven Airport, staat niets het gebruik van dit deelplan voor militaire doeleinden in de weg.

Opleiding en oefening.
In het algemeen kan gesteld worden, dat de hulpverleners, die betrokken waren bij de primaire hulpverlening, de voor hun functie geldende opleiding met goed gevolg hebben doorlopen. Voor de functie van centralist van de vliegbasis-brandweer ontbreekt een specifieke opleiding. Een overzicht van de gevolgde opleidingen staat in bijlage D in het eerste deel van de rapportage (oktober 1996).
Voor de leidinggevende functionarissen van de civiele hulpverleningsdiensten geldt dat zij voor het functioneren in de diverse staven een opleiding hebben gehad. De leidinggevende functionarissen van de marechaussee en de luchtmacht hebben geen specifieke opleidingen in het kader van de rampenbestrijding gehad.

Door zowel de gemeentelijke brandweer als de vliegbasis-brandweer wordt regelmatig geoefend in het kader van het in stand houden van alle benodigde handvaardigheden van de brandweer.
Ten aanzien van de oefeningen is door de onderzoekers vastgesteld dat het personeel van de vliegbasis-brandweer regelmatig geoefend wordt in vliegtuigbrandbestrijding.
Hierbij worden ook de reddingsacties beoefend. Voor een overzicht van oefeningen zie eveneens bijlage D van het eerste deel van de rapportage (oktober 1996).
De Eindhovense brandweer heeft in de maanden mei en juni 1996 gezamenlijk met de vliegbasis-brandweer geoefend op onder andere een F27-vliegtuig in de passagiersuitvoering.
Ook is er op 15 april 1996 op de vliegbasis een grootschalige oefening gehouden met 30 Lotusslachtoffers. Hierbij zijn geen hulpverleningsdiensten van de gemeente betrokken geweest.

Er zijn in de gemeente Eindhoven weinig oefeningen geweest waarin het rampenplan werd beoefend. In 1995 en 1996 zijn enkele alarmeringsoefeningen gehouden en zijn enkele rampbestrijdingsprocessen beoefend. In het kader van het rampbestrijdingsplan Welschap zijn geen oefenactiviteiten te melden. Dit betekent dat de leidinggevenden van de verschillende betrokken diensten (civiele hulpverleningsdiensten, luchtmacht en marechaussee) op het niveau van leiding en cordinatie geen kansen hebben gekregen om in een oefensituatie ervaring op te doen met de specifieke omstandigheden van een ongeval waarbij het rampbestrijdingsplan wordt geactiveerd.
Met het oefenen van het rampbestrijdingsplan worden verschillende doelen gediend:

* de kennis van de plannen wordt vergroot;
* de bruikbaarheid van de plannen wordt getoetst;
* de functionarissen van de verschillende diensten leren elkaar kennen;
* de diensten leren elkaars mogelijkheden (beter) kennen.

Rol van de Koninklijke Marechaussee.
Op luchtvaartterreinen worden de politietaken, conform artikel 6 lid c van de Politiewet 1993, uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee.

Het rampbestrijdingsplan geeft aan:

Bij handhaving van de openbare orde handelen zij (de Koninklijke Marechaussee), evenals de politie, onder gezag van de burgemeester, terwijl bij de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde wordt opgetreden onder gezag van de Officier van Justitie.

In het rampbestrijdingsplan wordt om voorgenoemde redenen dan ook personeel van de Koninklijke Marechaussee ingezet in alle scenarios en alle organisatorische structuurlagen.

De Koninklijke Marechaussee heeft echter beperkte mogelijkheden om binnen acceptabele tijdsbestekken voldoende (staf)functionarissen in te zetten. In de praktijk zullen veel van de staffuncties worden bezet door regionale politie officieren. In dit geval is dat ook gebeurd.

Dit geldt voor het beleidsteam, het operationeel team en voor de coördinatie op het ongevalsterrein. Alleen in het crisiscentrum in de brandweerkazerne van de vliegbasis was een officier van de marechaussee aanwezig.
Er is geen sprake geweest van competentiekwesties tussen regionale politie en marechaussee. Het overnemen van uitvoeringstaken door de regionale politie gebeurde eigenlijk vanzelf.
De regionale politie is beter voorbereid op het functioneren in staven bij de rampenbestrijding dan de marechaussee. De leidinggevende functionarissen van de regionale politie, brandweer en GGD kennen elkaar en hebben een gemeenschappelijke ervaring bij praktische inzetten.

Scenario’s.
Voor een goede hulpverlening is het niet noodzakelijk dat de gemeentelijke brandweer naar elk (klein) incident op de vliegbasis uitrukt. De vliegbasis heeft een eigen professionele brandweer die kleinere incidenten zelfstandig kan afhandelen. De brandweer van de vliegbasis is sneller ter plaatse dan de gemeentelijke brandweer en zij heeft het voordeel van de plaatselijke bekendheid op de vliegbasis.
Bij een melding aan de regionale alarmcentrale van de brandweer wordt het betreffende scenario doorgegeven waardoor het op dit scenario afgestemde materieel en personeel kan worden gealarmeerd.
Een Hercules wordt gevlogen door een bemanning van minimaal vier personen, zodat in het onderhavige geval minimaal scenario 2 van toepassing was.
Overigens mag het aantal bemanningsleden van een Hercules niet als bekend verondersteld worden bij de centralisten van de civiele diensten. Afkondiging van scenario 2 door deze functionarissen op grond van het feit dat het verongelukte vliegtuig een Hercules was, is derhalve niet reëel. Ook is het niet aannemelijk dat de vraag bij de melding om zoveel mogelijk ambulances door de centralist wordt vertaald in een scenario. Dit neemt niet weg, dat een centralist bij een melding van de vliegbasis ook zelf naar het van kracht zijnde scenario kan vragen.
Het calamiteitenplan geeft aan wanneer de overheidsdrempel overschreden is. Dit houdt in dat bij bepaalde scenarios de assistentie van hulpverlenende instanties van de gemeente Eindhoven niet nodig wordt geacht. Deze scenarios liggen beneden de overheidsdrempel. Wordt de overheidsdrempel (alsnog) overschreden, dan moeten de hulpverlenende instanties van de gemeente Eindhoven worden gealarmeerd. Een functionaris van de gemeente Eindhoven wordt dan belast met de algehele leiding met betrekking tot het ongeval. In alle gevallen behoudt de burgemeester van Eindhoven zijn verantwoordelijkheden.
Bij de scenarios 2 en 3 is de overheidsdrempel overschreden. Niettemin moet ook bij scenario 1 een melding aan de Eindhovense brandweer plaatsvinden, omdat bij dat scenario de officier van dienst gealarmeerd moet worden.
In het calamiteitenplan wordt de overheidsdrempel als volgt gedefinieerd:

Op het moment dat de overheid in verdergaande mate dan bij de uitvoering van het routinematig toezicht in de normale procesgang, handelend of dirigerend optreedt, ter handhaving van veiligheid en/of openbare orde, ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten of bij het onderzoek naar de oorzaak van een luchtvaartongeval, is de overheidsdrempel overschreden.
In het rampenplan en het rampbestrijdingsplan wordt de overheidsdrempel niet genoemd. Ook in de relevante wetgeving wordt het begrip niet gehanteerd. Een dergelijk niet ingeburgerd begrip kan gemakkelijk leiden tot misverstanden.

3.3 Conclusies

Algemeen
Aan de preparatieve aspecten met betrekking tot de hulpverlening bij een vliegtuigongeval op de Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport is door alle betrokken diensten aandacht besteed. De aanwezigheid van een rampbestrijdingsplan, een professionele bedrijfsbrandweer en de nabijheid van een grote gemeente met professionele hulpverleningsdiensten zijn belangrijke factoren die een goede preparatie mogelijk maken.

De plannen
Het rampenplan en het in 1995 tot stand gekomen rampbestrijdingsplan zijn niet in strijd met de Rampenwet. Het rampbestrijdingsplan is toegesneden op de taakstelling van de Vliegbasis Eindhoven/Eindhoven Airport.
Bijna alle (regionale) draaiboeken voor verschillende processen moeten nog worden uitgewerkt. Met het rampbestrijdingsplan is (nog) niet geoefend. Hierdoor heeft een evaluatie van de bruikbaarheid van het plan niet plaatsgevonden.
De inhoud van de plannen is onvoldoende bekend bij de functionarissen die er mee moeten werken.

De alarmering
Bij het niet tijdig vaststellen van het scenario voor een bepaald incident blijft onduidelijk of de overheidsdrempel is overschreden. Dit kan, zoals is gebleken bij dit ongeval, tot ernstige vertraging bij de alarmering van de civiele hulpverleningsdiensten leiden.

3.4 Aanbeveling

De politietaak
De huidige praktische situatie dat de operationele functies in de rampenstaven bij de daadwerkelijke ongevalsbestrijding door regionale politie worden ingevuld in plaats van door de Koninklijke Marechaussee zou ook in de plannen tot uiting moeten komen. Een goede mogelijkheid daartoe is om in de plannen bij de verschillende (staf)functies zowel de regionale politie als de marechaussee te vermelden.