nationaal brandweer documentatie centrum

Bijlage 6

Dakota-incident Waddenzee – onderzoeksrapport – 25 september 1996 – bijlage 6

Opschaling van de hulpverlening bij slachtoffers op zee

Bijlage 6 De operationele plannen en ongevalsregelingen voor Noordzee, Waddenzee en IJsselmeergebied

In deze bijlage komen de volgende bestrijdingsplannen en ongevalsregelingen aan de orde:
1 Operationeel plan Search and Rescue
3 Uitvoeringsregeling Ongevallenbestrijding op de Waddenzee
4 Uitvoeringsregeling Ongevallenbestrijding in het IJsselmeergebied

Van deze plannen/regelingen komen de voor dit onderzoek belangrijkste bepalingen aan de orde. Daarbij is de volgende indeling aangehouden:

* algemeen (doel en wettelijke grondslag);
* toepassingsgebied;
* melding en alarmering;
* coördinatie van de reddingsactiviteiten;
* opvang van slachtoffers;
* voorlichting;

Bij de beschrijving is de tekst van de plannen/regelingen gevolgd, ook wanneer die op onderdelen niet meer actueel is. Zo nodig is de actuele situatie – ten tijde van het onderzoek – daarbij aangegeven.

1 Operationeel plan Search and Rescue

Algemeen
De basis voor de opsporings- en reddingsdienst in Nederland, de SAR-dienst, is de Regeling inzake de SAR-dienst 1994. Dit is een – geactualiseerde – ministeri’le beschikking van de ministers van Verkeer en Waterstaat (V&W) en van Defensie. De regeling is uitgewerkt in het OPPLAN-SAR.

De SAR-dienst is belast met de opsporing en redding van in nood verkerende bemanningen en passagiers van vliegtuigen, schepen en mijnbouwinstallaties. De directeur Kustwachtcentrum is verantwoordelijk voor het functioneren van de SAR-dienst.

De vliegende eenheden worden primair door de Koninklijke Marine (KM), en de reddingboten door de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij geleverd. Verder stelt een aantal diensten op ad-hoc basis eenheden beschikbaar.

Toepassingsgebied
Het geografisch toepassingsgebied beslaat de Noordzee boven het Nederlands deel van het continentaal plat, de Nederlandse kustwateren, de Waddenzee, het IJsselmeer en de randmeren, en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen. Verder is er een verantwoordelijkheid voor de luchtvaart.

Er is niet afgebakend wat er wel en niet (meer) tot redden in het kader van SAR wordt gerekend, bijvoorbeeld met betrekking tot het vervoer van gewonden naar ziekenhuizen.

Melding en alarmering
Melding en alarmering lopen via het Reddingscoördinatiecentrum (RCC) van het Kustwachtcentrum. De alarmering van reddingboten vindt plaats via de Regionale Alarm Centrale (RAC).

De maximale reactietijden van het SAR-materieel zijn als volgt:

* Orion vliegtuig van de Koninklijke Marine: in werktijd 1 uur, buiten werktijd 3 uur;
* Lynkx helikopter van de Koninklijke Marine: volgens de overeenkomst tussen de ministers van V&W en van Defensie in werktijd 20 minuten, buiten werktijd tijdens daglicht 45 minuten en buiten daglicht 1 uur.

Coördinatie van de reddingsactiviteiten
* Het RCC coördineert alle activiteiten met betrekking tot een SAR-actie. Daarbij wordt voor de plaats incident doorgaans een On Scene Commander aangewezen. Aan de On Scene Commander delegeert het Kustwachtcentrum een aantal van haar coördinatietaken.
* In het hoofdstuk ‘Relaties met plaatselijk verantwoordelijke autoriteiten’ worden de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de gemeenten en regio’s in het kader van de rampenbestrijding niet genoemd. Er wordt uitsluitend de verplichting van de lokale autoriteit genoemd om het Kustwachtcentrum onverwijld van elk SAR-incident, dat te zijner kennis komt, op de hoogte te stellen.
* In het hoofdstuk ‘Samenvallen van verantwoordelijkheidsgebieden’ staat vermeld dat de directeur Kustwachtcentrum de eindverantwoordelijkheid heeft voor de coördinatie en het resultaat van de SAR-actie in de betreffende wateren. Verder is opgenomen dat, zodra bij een SAR-actie wal-organisaties betrokken zijn, door het Kustwachtcentrum de ‘land-autoriteiten’ zoals het Landelijk Coördinatie Centrum van het ministerie van Binnenlandse Zaken (LCC) en de RAC’s zo nodig worden ingelicht.

Opvang van slachtoffers

In het OPPLAN-SAR is de hulpverlening geregeld wanneer een opvarende van een schip medische hulp aan de wal behoeft. De opvang aan land van meerdere slachtoffers tegelijkertijd komt als zodanig niet aan de orde.

Voorlichting
Over de voorlichting bij een incident is in het OPPLAN-SAR niets geregeld.

Nadere uitwerking
In het OPPLAN-SAR is over de nadere uitwerking van het OPPLAN-SAR door de organisaties die bij de uitvoering zijn betrokken, niets bepaald. Marinevliegkamp De Kooy, de thuisbasis voor de SAR-helikopters, heeft wèl een eigen uitgewerkte SAR-regeling.

Het Kustwachtcentrum beschikt over een SAR-coördinatieregeling.

Actualisatie
Er is in het OPPLAN-SAR voorzien in een directe bijwerking en een jaarlijkse bijwerking. Op de RAC Kop van Noord-Holland is de jaarlijkse bijwerking van toepassing.

Opmerkingen:

* De telefoonnummers in het OPPLAN-SAR zijn niet omgenummerd, ook niet in exemplaren die onder de directe bijwerking vallen.
* Tijdens het onderzoek, op 1 april 1997, is een herziene versie van het OPPLAN-SAR vastgesteld.

Rapportage en evaluatie
1 Het Kustwachtcentrum stelt van elke SAR-actie een ‘first impression report’ op dat aan alle deelnemende diensten wordt toegezonden. Deze worden uitgenodigd om hun rapport naar het Kustwachtcentrum te zenden. Het Kustwachtcentrum analyseert ieder incident en houdt zo nodig een evaluatie met direct betrokkenen.
2 In het periodiek operationeel SAR-overleg worden door de vertegenwoordigers van de organisaties, die bij de uitvoering van de SAR betrokken zijn, onder meer ervaringen uitgewisseld.

2 Operationeel plan Noordzeerampen en Rampenplan voor de Noordzee 1996

Algemeen
Het Rampenplan Noordzee van de Regering dateert van 1988. Dit is op ambtelijk niveau uitgewerkt in het Operationeel plan Noordzeerampen, verder te noemen OPPLAN-NORA, hetgeen als een interdepartementaal draaiboek inclusief alarmeringsplan was te beschouwen.

Het OPPLAN NORA was niet gerelateerd aan de Wet bestrijding ongevallen Noordzee, de leemtewet voor een effectieve bestrijding van ongevallen op volle zee en in de territoriale zee. Deze wet is sinds 1992 van kracht.

Per 1 februari 1997 is het OPPLAN NORA bij koninklijk besluit vervangen door het Rampenplan voor de Noordzee 1996. Dit rampenplan is gebaseerd op artikel 11, eerste lid van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee.

Opm.: Ten tijde van het Dakota-ongeval was nog het OPPLAN-NORA van kracht. Om die reden is hier uitgegaan van dit plan en zijn de, hiervan afwijkende dan wel aanvullende bepalingen in het Rampenplan voor de Noordzee 1996 cursief vermeld.

Toepassingsgebied
Het geografisch toepassingsgebied is de Noordzee.

Het begrip ramp zoals in dit plan gebruikt komt niet geheel overeen met de definitie volgens de Rampenwet. Ook incidenten van beperkte omvang zullen door tussenkomst van het Kustwachtcentrum worden tegemoet getreden.

(Aanvulling Rampenplan voor de Noordzee.)

Het begrip ramp is in het Rampenplan voor de Noordzee gedefinieerd als een gebeurtenis die daadwerkelijk of in potentie als dreiging oplevert:

* een ernstige verstoring van de algemene veiligheid, waarbij leven of gezondheid van personen dan wel materi’le belangen gevaar lopen;
* ernstige belemmering voor de scheepvaart en/of aanmerkelijke schade aan zeewering, waterstaatkundige werken of andere installaties.
* ernstig gevaar voor het mariene milieu en/of de Nederlandse kust of daarmee samenhangende belangen.

Melding en alarmering
Bij ongevallen van enige omvang, waarbij aan de wal slachtoffers van zee moeten worden opgevangen, wordt door het Kustwachtcentrum uitvoerend de betrokken RAC gewaarschuwd en bestuurlijk het LCC en, bij een ramp met directe gevolgen voor de volksgezondheid, het crisiscentrum van het ministerie van WVC (thans communicatie-crisiscentrum van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)).

(Aanvulling Rampenplan voor de Noordzee.)

Als een incident gevolgen heeft voor het land informeert het Kustwachtcentrum het LCC. Daar regelt men vervolgens de coördinatie van de, door de verschillende overheden – met name provincies en gemeenten – te treffen maatregelen. Het LCC verzorgt naast de coördinatie tussen de verschillende overheden ook de informatievoorziening naar de betrokken regionale alarmcentrales en fungeert voor hen als intermediair met het Kustwachtcentrum.

Indien daar aanleiding toe bestaat wijst het LCC, eventueel in overleg met de betrokken provincie(s), één (meest betrokken) RAC aan die rechtstreeks contacten onderhoudt met het Kustwachtcentrum.

Coördinatie van de reddingsactiviteiten
* Voor vliegtuigongevallen is voor het geven van opdrachten de directeur-generaal Rijksluchtvaartdienst de bevoegde autoriteit.
* Bij beperkte omvang vindt rechtstreekse coördinatie door het Kustwachtcentrum plaats. Bij grotere ongevallen/rampen berust de leiding en coördinatie van de rampenbestrijding bij een operationeel team (van deskundigen), het OPS-team. Dit team wordt in overeenstemming met de aard van het incident samengesteld.
* De On Scene Commander ontvangt zijn opdrachten van het OPS-team. In spoedeisende gevallen kan de On Scene Commander zonodig naar bevind van zaken handelen met verantwoording achteraf. Zijn taken zijn beschreven in de NATO-publicatie ATP 10 betreffende reddingsacties.
* Het OPS-team onderhoudt de contacten met de betrokken instanties aan de landzijde.
* Naast het OPS-team kan er een beleidsteam worden geformeerd dat, afhankelijk van de aard van het incident, in een van de meest betrokken ministeries van V&W, Justitie of Defensie wordt gehuisvest. Wanneer het accent van de bestrijding naar de landzijde verschuift, komt de rampenbestrijdingsorganisatie aan de landzijde in werking en ‘verschuift’ het beleidsteam naar het LCC (daarbij wordt overigens vermeld dat dit (alleen) betrekking zal hebben op situaties met grote gevolgen voor het land).
* De betreffende RAC coördineert de afwikkeling van de opvang van slachtoffers op de wal. In het OPPLAN-NORA wordt echter ook opgemerkt dat het Kustwachtcentrum bij de afwikkeling te land een actieve rol speelt, zoals bij de keuze van de aanlandingsplaats, de opvang en doorgeleiding van de gewonden naar ziekenhuizen. Het OPPLAN-NORA is ten aanzien van de leiding en coördinatie van deze zaken dan ook niet duidelijk.
* Het beleidsteam is namens de betrokken ministers verantwoordelijk voor de afwikkeling op beleidsniveau en wordt voorgezeten door de directeur Scheepvaartverkeer van het directoraat-generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van het ministerie van V&W.
* Marinebijstand die verder gaat dan de SAR kan door het Kustwachtcentrum bij het hoofd Operati’n van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten in Den Haag worden aangevraagd.
* Door de Kustwacht zijn samenwerkingsregelingen getroffen met ‘plaatselijk bevoegde autoriteiten’ zoals rijkshavenmeesters. Deze autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het scheepvaartverkeer (nautisch beheer) in het aanloopgebied van zeehavens. Ten aanzien van incidenten is gesteld dat de rijkshavenmeester zijn bevoegdheden tijdens een incident kan, en bij instelling van het beleidsteam voor Noordzeerampen moet, overdragen aan het Kustwachtcentrum.

(Aanvulling Rampenplan voor de Noordzee.)

Het Kustwachtcentrum is de kern van de incidenten- en rampenbestrijding op de Noordzee en is belast met de algehele coördinatie van de operationele uitvoering. Met de algehele leiding, de inzet van de middelen en de totale coördinatie van de uitvoering is de directeur Kustwacht belast.

De eerste prioriteit zal worden gegeven aan het redden van mensenlevens. Indien er mensen in gevaar zijn wordt er volgens de procedures van het OPPLAN-SAR direct een SAR-actie gestart. De door het Kustwachtcentrum gealarmeerde diensten zullen over hun acties terugmelden aan het Kustwachtcentrum.

Aanvullende Marinebijstand kan namens de Directeur Kustwacht, eventueel na vooroverleg met het Marinehoofdkwartier Nederland in Den Helder, worden aangevraagd bij de Directie Juridische Zaken in Den Haag.

(Het Reddingscoördinatiecentrum van het Kustwachtcentrum wordt in het Rampenplan voor de Noordzee Communicatie-coördinatiecentrum genoemd).

Opvang van slachtoffers
In het hoofdstuk ‘Materi’le middelen en capaciteiten’ wordt gesteld dat de Centrale Post Ambulancevervoer (CPA) de verdeling van slachtoffers over de diverse ziekenhuizen regelt met betrekking tot het gewondenspreidingsplan en ambulancebijstandsplan en dat de procedure is geregeld via het gemeentelijk rampenplan. Verder wordt ook de Landelijke Organisatie Trauma Teams (LOTT) genoemd, inclusief de hierbij aangesloten ziekenhuizen en sector-CPA-en.

(Aanvulling Rampenplan voor de Noordzee.)

Bij acties op het gebied van hulpverlening en redding (SAR) binnen gebieden, die gemeentelijk of provinciaal zijn ingedeeld, informeert het Kustwachtcentrum onverwijld de plaatselijk bevoegde autoriteiten en zonodig het LCC. Elders in het Rampenplan voor de Noordzee staat echter vermeld dat bij opvang van grote aantallen slachtoffers het Kustwachtcentrum via het LCC de burgemeester(s) inlicht! Op een andere plaats is weer aangegeven dat via de RAC’s de CPA-en op de hoogte worden gesteld, die vervolgens het vervoer en de verdeling van de gewonden over de ziekenhuizen regelen. Ook kan het Communicatie- en Crisiscentrum van het ministerie van VWS worden ingeschakeld. Het ministerie van VWS beschikt tevens over een commandowagen die is uitgerust voor spoedeisende slachtofferhulp.

De aanlandingsplaatsen zijn limitatief opgesomd (Waddeneilanden en grotere havens op het vasteland). Daarbij is gesteld dat aanlanding in één haven de voorkeur verdient. De plaats van aanlanding wordt door de directeur Kustwacht bepaald.

Voorlichting
Het coördineren van de voorlichting is een taak van het beleidsteam. Voor incidenten met beperkte omvang verloopt de voorlichting via het OPS-team bij het Kustwachtcentrum. De verwanteninformatie wordt centraal geregeld door het ministerie van VWS. Daar wordt ook een landelijk telefoonnummer bekendgesteld.

(Aanvulling Rampenplan voor de Noordzee.)

Door het Kustwachtcentrum wordt geen verwanteninformatie verstrekt. De centrale registratie en informatievoorziening wordt verzorgd door het Communicatie- en Crisiscentrum van het ministerie van VWS. Dit centrum beschikt over een groot aantal telefoonlijnen en kan op korte termijn worden bezet.

Nadere uitwerking
In het Rampenplan voor de Noordzee 1996 staat vermeld dat dit plan op hoofdlijnen de procedures geeft voor de wijze van samenwerking en dat er bij de betrokken diensten daarnaast operationele plannen, bestrijdingsplannen, en capaciteitsplannen bestaan voor activiteiten als, onder meer, het uitvoeren van de daadwerkelijke rampenbestrijding.

Actualisatie
Voor de actualisatie is de voorzitter van de Permanente Kontaktgroep Dienstverleningstaken Noordzee verantwoordelijk. Het Kustwachtcentrum verzorgt de terugkoppeling van de ervaringen met het plan bij rampen, voor zover die aanvullingen of wijzigingen noodzakelijk maken.

Het Rampenplan voor de Noordzee bevat geen bepalingen terzake.

3 Uitvoeringsregeling Ongevallenbestrijding op de Waddenzee

Algemeen
De Uitvoeringsregeling Ongevallenbestrijding op de Waddenzee, verder te noemen Uitvoeringsregeling Waddenzee, is gebaseerd op de Samenwerkingsovereenkomst Ongevallenbestrijding Waddenzee van 1989. Deze overeenkomst is gesloten tussen de besturen van de Waddenzeegemeenten en de minister van V&W.

De uitvoeringsregeling voorziet in het gecoördineerd optreden van betrokken partijen bij het beperken en/of ongedaan maken van schadelijke gevolgen van ongevallen op basis van wederzijdse hulpverlening.

Toepassingsgebied
* Waddengebied, daaraan gelegen havens en overige kunstwerken.
* De grens tussen Waddengebied en Noordzee loopt globaal van de westelijke kustlijn van Noord-Holland over de westelijke en/of noordelijke kustlijn van de Waddeneilanden.
* De uitvoeringsregeling heeft als ‘bovengrens’ gebeurtenissen die het karakter van een ramp hebben en heeft op rampen dus geen betrekking. Wèl is de regeling zodanig van opzet dat deze ook bij een ramp hanteerbaar is.
* De samenwerkingsovereenkomst laat onverlet de bevoegdheid van de Kustwacht tot het coördineren van de SAR activiteiten in het Waddenzeegebied. Het Kustwachtcentrum te IJmuiden heeft als maritiem en aeronautisch reddingscoördinatiecentrum onder meer als werkgebied de Waddenzee en het betreffende luchtgebied.

Melding en alarmering
* Alle meldingen moeten bij de Centrale Meldpost Waddenzee in de vuurtoren Brandaris op Terschelling binnenkomen. Deze valt onder Rijkswaterstaat, dienstkring Waddenzee West.
De Centrale Meldpost Waddenzee leidt de berichten onverwijld door naar de walposten zoals de RAC Kop van Noord-Holland. Wanneer meldingen rechtstreeks bij een van de betrokken instanties binnenkomen moet deze alsnog de Centrale Meldpost Waddenzee inlichten. * Meldingen die bij de Kustwacht binnenkomen en betrekking hebben op de Waddenzee, worden per directe telefoonlijn aan de Centrale Meldpost Waddenzee doorgegeven.
* Na de melding wordt de alarmeringsprocedure eerst na gebleken noodzaak/juistheid opgestart. De verificatie wordt verricht door de, voor (de bestrijding van) het ongeval eerstverantwoordelijke, instantie. Daarbij kan van een vliegtuig of helikopter gebruik worden gemaakt. Indien de gemeente de eerstverantwoordelijke is, beslist de officier van dienst van de regionale brandweer na overleg met Rijkswaterstaat c.q. rijkspolitie te water (thans Korps Landelijke Politie Diensten, afdeling waterpolitie) over het opstarten.
* Bij een SAR-alarmering wordt de betreffende RAC (tevens) door de Kustwacht in kennis gesteld. De RAC meldt dit vervolgens door naar de gemeente, de commissaris van de Koningin en overige provinciale diensten. De Centrale Meldpost Waddenzee meldt het ongeval verder onder meer aan het Haven Coördinatie Centrum in Den Helder.
* Het LCC wordt zonodig door de RAC, door tussenkomst van de commissaris van de Koningin, ingelicht.

Coördinatie van reddingsactiviteiten
Het operationeel centrum (van de gemeentelijke rampenstaf) heeft inclusief de betreffende RAC continue contact met de coördinator plaats ongeval op de Waddenzee (vergelijkbaar met On Scene Commander), waar alle bestrijdings- en hulpverleningseenheden op zee onder vallen.

Ten aanzien van de feitelijke coördinatie zijn geen afspraken gemaakt. Wel is in de basisovereenkomst bepaald dat er aan verzoeken om bijstand zoveel mogelijk gevolg zal worden gegeven en dat, wanneer een partij een beleidsstaf instelt, daarin een vertegenwoordiger van de andere partij(en) zal worden opgenomen.
Opvang van slachtoffers
Dit aspect komt als zodanig niet aan de orde.

Voorlichting
De voorlichting over een ongeval dat onder deze regeling valt wordt hetzij door het ministerie van V&W, hetzij vanwege de betrokken gemeente verzorgd.

Actualisatie
Het secretariaat van het Coördinatiecollege Waddengebied draagt zorg voor het actueel houden van adressen en telefoonnummers. Dit college is een overlegorgaan van de Waddenzeegemeenten, de Waddenprovincies en de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Opm.: De Uitvoeringsregeling Waddenzee blijkt niet actueel te zijn. Zo zijn de telefoonnummers niet ‘omgenummerd’ en is het vermelde telefoonnummer van de gemeente Den Helder volgens die gemeente reeds circa twee en een half jaar gewijzigd. Ook wordt er nog consequent over rijkspolitie gesproken.

4 Uitvoeringsregeling Ongevallenbestrijding in het IJsselmeergebied

Algemeen
De Uitvoeringsregeling Ongevallenbestrijding in het IJsselmeergebied, verder te noemen Uitvoeringsregeling IJsselmeergebied, is gebaseerd op de Samenwerkingsregeling Ongevallenbestrijding IJsselmeergebied van 1990. Deze samenwerkingsregeling is gesloten tussen de besturen van de gemeenten in het IJsselmeergebied, de landdrost van het Openbaar Lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders en de minister van V&W.

De Uitvoeringsregeling IJsselmeergebied heeft dezelfde opbouw als de Uitvoeringsregeling Waddenzee.

Toepassingsgebied
Het geografisch toepassingsgebied beslaat het IJsselmeer, het Markermeer, het IJmeer, het Ketelmeer, de Gouwzee en de Randmeren, ook wel genoemd het IJsselmeergebied.

De uitvoeringsregeling heeft als ‘bovengrens’ gebeurtenissen die het karakter van een ramp hebben en heeft op rampen dus geen betrekking. Wél is de regeling zodanig van opzet dat deze ook bij een ramp hanteerbaar is.

De samenwerkingsregeling laat onverlet de bevoegdheid van de Kustwacht tot het coördineren van de SAR-activiteiten in het IJsselmeergebied. Het Kustwachtcentrum te IJmuiden heeft als maritiem en aeronautisch reddingscoördinatiecentrum onder meer als werkgebied het IJsselmeergebied en het betreffende luchtgebied.

Melding en alarmering
Alle meldingen moeten in ieder geval bij de Centrale Meldpost Houtribsluizen of de RAC Flevoland binnenkomen. De Centrale Meldpost Houtribsluizen valt onder Rijkswaterstaat en fungeert als meldpost voor het scheepvaartverkeer in het IJsselmeergebied. De RAC Flevoland is de meldpost voor de meldingen betreffende het IJsselmeergebied en leidt de meldingen via de desbetreffende RAC’s en meldposten door naar de hulpverleningsinstanties. Meldingen die bij het reddingscoördinatiecentrum van de Kustwacht binnenkomen of bij de Meldkamer van het Korps landelijke politiediensten en die betrekking hebben op het IJsselmeergebied dienen terstond doorgegeven te worden aan de RAC Flevoland of de Centrale Meldpost Houtribsluizen. De laatsten dienen elkaar onmiddellijk wederzijds op de hoogte te stellen van ongevalsmeldingen.

Na de melding wordt de juistheid van de melding geverifieerd door of op verzoek van de meest betrokken instantie. Hiertoe kan de betreffende dienst gebruik maken van gebruikelijke communicatiemiddelen of van een vliegtuig/helikopter.

De alarmeringsprocedure wordt pas opgestart na gebleken noodzaak/juistheid. Hierover beslissen in onderling overleg de OvD van de regionale brandweer Flevoland en het hoofd van de dienstkring IJsselmeer en Markermeer van de directie Flevoland van Rijkswaterstaat, zonodig na overleg met de rijkspolitie te water te Driebergen (thans Korps Landelijke Politie Diensten, afdeling waterpolitie).

Volgens de Uitvoeringsregeling IJsselmeergebied alarmeren de regionale alarmcentrales de instanties te land, de rijkspolitie te water, het Kustwachtcentrum en reddingsmaatschappijen. Volgens het bijbehorende meldingsschema echter wordt het Kustwachtcentrum door de Centrale Meldpost Houtribsluizen of door de rijkspolitie te water (thans Korps Landelijke Politie Diensten, afdeling waterpolitie) gealarmeerd.

Op verzoek van de burgemeester wordt het kabinet van de commissaris van de Koningin gealarmeerd. De commissaris van de Koningin licht zonodig het LCC in.

Rijkswaterstaat alarmeert de eigen organisatie, de politie en overige instanties voor waterbeheer.

Coördinatie van reddingsactiviteiten
Bij inzet van meerdere disciplines is de coördinatie in handen van de commandant van de desbetreffende regionale brandweer. Indien het een situatie betreft waarbij meerdere regio’s zijn betrokken of indien de locatie niet exact bekend is, is de coördinatie in handen van de commandant van de regionale brandweer Flevoland.

Bij een SAR-alarmering wordt de betreffende RAC in kennis gesteld over de voortgang van de bestrijding van het incident.

Op een van de betrokken schepen of in de verbindings-/commandowagen van de brandweer is een ‘operationeel team’ aanwezig. Dit onderhoudt enerzijds verbinding met de eenheden op de plaats van het ongeval en anderzijds met het ‘operationeel centrum’ aan de wal.

Ten aanzien van de feitelijke coördinatie zijn geen afspraken gemaakt. Wel is in de basisovereenkomst bepaald dat er aan verzoeken om bijstand zoveel mogelijk gevolg zal worden gegeven en dat, wanneer een partij een beleidsstaf instelt, daarin een vertegenwoordiger van de andere partij(en) zal worden opgenomen.

Opvang van slachtoffers
Dit aspect komt als zodanig niet aan de orde.

Voorlichting
De voorlichting over een ongeval dat onder deze regeling valt wordt hetzij door het Ministerie van V&W, hetzij vanwege de betrokken gemeente verzorgd. Bij incidenten die de gemeentegrens overschrijden zal het bureau voorlichting van de provincie bij het overleg betrokken worden.

Nadere uitwerking
In de uitvoeringsregeling is aangegeven dat dit een leidraad is voor het gecoördineerd optreden van betrokken partijen bij het beperken en/of ongedaan maken van schadelijke gevolgen van ongevallen en dat in draaiboeken van de afzonderlijke instanties de feitelijke bestrijding van de diverse soorten ongevallen moet worden beschreven.

Actualisatie
De directie Flevoland van Rijkswaterstaat draagt zorg voor het actueel houden van adressen en telefoonnummers.

Opm.: De Uitvoeringsregeling blijkt niet volledig actueel te zijn. De telefoonnummers zijn recent nog aangepast.