nationaal brandweer documentatie centrum

Water en vuur

Water en vuur: een korte geschiedenis der brandwering

Het op één na oudste beroep: brandweerman!
De vurige préhistorie
Middeleeuwen
Brandweer: exportgoed
Alleen maar sneller en meer

oerbrandweermanHet op één na oudste beroep: brandweerman!
Niemand zal kunnen ontkennen dat het gebruik van vuur de belangrijkste stimulans in de ontwikkeling of evolutie van de mens is geweest. Eigenlijk is dat nog steeds het geval: verbrandingsmotoren en zelfs vonkoverbrengingen maken alles steeds sneller en de wereld steeds kleiner. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als er geen licht in de pc-monitor meer is?

De vurige préhistorie
Het ‘gebruik van vuur’ betekent eigenlijk ‘de controle over vuur’. Dat wil zeggen: het vermogen om het vuur te ontsteken waar en wanneer we dat willen en vervolgens te doven wanneer we dat willen. Ergo: zodra er vuur was, moesten er maatregelen komen om het onder controle te houden, anders ontaardde het in een brand, en die is niet controleerbaar. De mens moest dus het vuur zien te houden waar hij dat wilde, net zoals de moderne brandweermens dat nog steeds doet. We kunnen derhalve redelijk veilig aannemen dat brandwacht dus één van de oudste bezigheden of beroepen van de mens is.

Dat het niet altijd lukte weten geologen ons te melden als ze praten over de grondlaag, die aantoont dat we zo’n twaalfduizend jaar geleden een brand moeten hebben gehad, die tot in Duitsland en België gewoed zou hebben. Ook in de bekende en geschreven geschiedenis van de mens heeft ongecontroleerd vuur, oftewel ‘brand’ steeds een belangrijke rol gespeeld: meestal als wapen, vaak als ongeluk, waardoor hele (meestal houten) menselijke verzamelplaatsen verwoest werden. Al heel snel zal de mens ook ontdekt hebben dat water een uiterst effectief middel ter bestrijding van vuurverschijnselen was. De chemische of fysische eigenschappen zal men nog niet hebben kunnen benoemen, laat staan de gebeurtenissen wetenschappelijk beschrijven. Het moet ouderwets ambachtelijk, empirisch onderzoek zijn geweest, dat het nut van water bij de controle van vuur aantoonde. Op deze wijze zal ook ontdekt zijn, dat rook en hitte naar boven stijgen en het zal derhalve als gewenst gezien zijn daar speciale gaten in het dak voor te maken, wellicht in kokervorm, dus als schoorsteen.

Van een georganiseerde beroepsbrandweer horen we in het Romeinse Rijk ten tijde van Nero, die 700 slaven als ‘bewakers van vuur’ oftewel beroepsbrandweerlieden paraat had. In Egypte had men in 250 v. Chr. al een soort zuig/perspomp waarmee water opgepompt kon worden, mogelijk voor brandblusdoeleinden.

Middeleeuwen
In de nog duistere middeleeuwen moesten we ons tegen brand bewapenen met strenge voorschriften voor brandgevaarlijke ambachten zoals bakkerijen en smederijen. Vaak werden stenen huizen of daken voorgeschreven, maar wegens de kosten was het toch het hout dat in de meeste opstallen verwerkt werd. Dat maakte verzamelplaatsen of nederzettingen kwetsbaar, want als het ene huis in brand raakte, gingen niet zelden de andere huizen mee. Daarom was vaak de enige effectieve methode van brandbestrijding het omhalen van bedreigde gebouwen. Waar water was, moest dat met behulp van emmertjes via lange rijen mensen van hand tot hand getransporteerd worden naar de brand. Het spreekt voor zich dat het waterverlies onderweg enorm was en het rendement van de personele inzet minimaal. Gelukkig was er in nederzettingen meestal wel water, omdat juist de aanwezigheid van water de aanleiding van de samenscholing van mensen was. Water als leverancier van eten (vis) en transportmiddel speelde derhalve in de ontwikkeling van de mens en de steden eveneens een belangrijke rol.

Daar waar de steden groter werden, moesten overheden het heft in handen nemen en al vroeg werden maatregelen genomen ter voorkoming van brand en ter organisatie van de strijd tegen vijanden en brand. Meestal werden bepaalde gilden of kloosterorden belast met de brandblussing of het omhalen van huizen. Van overheidswege werden functionarissen benoemd, die controle op de naleving van de voorschriften hielden en de leiding kregen bij de brandblussing: de brandmeesters.

Brandweer: exportgoed
Het relatief kleine Nederland heeft een grote rol in de ontwikkeling van de brandweer in de wereld gespeeld. Na de middeleeuwen hebben we de zeeën bevaren en onze producten en ideeën over de hele wereld verspreid. Ook onze brandweerorganisatie en -materieel hebben we daarbij geëxporteerd.
De eerste georganiseerde brandwacht in Nieuw Amsterdam (nu New York) was van Nederlandse hand. Ook in Zuid-Afrika ontstond de georganiseerde brandbestrijding met de komst van Nederlanders en we namen onze denkbeelden en brandspuiten mee naar Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. Czaar Peter de Grote van Rusland heeft het vak en het maken van het brandweermaterieel in Amsterdam geleerd van Jan van der Heiden.
Het was ook deze Jan van der Heiden, die samen met zijn broer Nicolaas de handbrandspuiten mobiel maakte en het gebruik van brandslangen uitvond. Daardoor werd het voor het eerst in de geschiedenis mogelijk de brand te blussen waar hij was, namelijk ín het gebouw. De ‘binnenaanval’, alom in de wereld een standaard voor de brandweer, was dus van Nederlandse makelij.

Ook tekende Jan van der Heiden in 1690 letterlijk en figuurlijk voor het eerste echte brandweerboek ter wereld. Een andere belangrijke verdienste van deze Jan van der Heiden was de organisatie van de eerste openbare straatverlichting (met behulp van gecontroleerd vuur in olielantaarns) in Europa. Daardoor werd het eindelijk mogelijk om ‘s avonds en ‘s nachts over straat te gaan zonder in een gracht te eindigen en konden herbergen en bordelen ook na zonsondergang hun zaken voortzetten. We kunnen dan ook veilig stellen dat de stamvader van de brandweer bovendien de uitvinder van het nachtleven was.

Alleen maar sneller en meer
Sinds de eerste schuchtere pogingen om vuur te maken en te doven is er eigenlijk niet veel veranderd. Het gaan allemaal alleen maar sneller en meer. Op vurige wijze kunnen we tegenwoordig hele continenten vernietigen en de brandweer werkt eigenlijk nog net als vroeger: gooi water op het vuur en het gaat vanzelf uit. De emmertjes water hebben plaatsgemaakt voor handbrandspuiten, die op hun beurt vervangen werden door pompen die met stoommachines en later verbrandingsmotoren werden aangedreven. De brandweermensen zijn mobieler en sneller en hun watergebruik is effectiever en efficiënter. Ook zijn er natuurlijk andere blusmiddelen bijgekomen omdat er ook andersoortige branden zijn. Bovendien houdt de brandweermens zich tegenwoordig ook bezig met ongelukken en rampen, die echter meestal toch weer veroorzaakt worden door verkeerd gebruik van vuur: verbrandingsmotoren met koetsen (auto’s) die met teveel vuur elkaar raken of bijvoorbeeld mensen die in liften vastzitten, waarvan de elektromotoren door verkeerd gebruik oververhit zijn geraakt. Ook oneigenlijk gebruik van water brengt de moderne brandweer in actie: als de gemotoriseerde koetsen te water raken, van het nachtleven genietenden de gracht aanzien voor een golvend trottoir of zelfs bij complete overstromingen.

Eigenlijk is de brandweermens het meest oermens gebleven: hij of zij houdt zich nog steeds hele dagen bezig met de controle over de oer-elementen water en vuur, en dat loont nog steeds!

G.P. Koppers, NBDC