nationaal brandweer documentatie centrum

Politie-brandweer-politie

Brandweer, politie, politiebrandweer, brandweerpolitie, politie, brandweer….

Organisatievormen
Lokale veiligheidszorg
Politiebrandweer
Brandweerpolitie
Toch weer politiebrandweer
Tenslotte
Literatuur

Organisatievormen
In de afgelopen tweehonderd jaar heeft de organisatie van de veiligheidszorg een zekere evolutie ondergaan, waarbij de primaire veiligheidstaken van de lokale overheid regelmatig werden verdeeld over en gedeeld door brandweer of politie. De brandweerzorg was in het begin van de negentiende eeuw vooral georganiseerd rond de bediening van de dure handbrandspuiten. Die vereisten een vakkundig onderhoud en regelmatige beproeving, waarvoor door gemeenten meestal vaste mensen werden aangewezen. Voor de bediening van de handspuiten was alleen spierkracht nodig en die werd eenvoudigweg bij wijze van dienstplicht geworven uit de mannelijke bevolking van boven de 18 jaar.
Alleen in grote steden werden vaak bepaalde gilden aangewezen voor de brandblussing. In Amsterdam was er vanaf 1685 een vrijwillige brandweer met een premie- en boetestelsel onder leiding van de vader der vaderlandse brandweer, Jan van der Heiden.
In de tweede helft van de negentiende eeuw viel vooral in de snel groeiende industriesteden niet te ontkomen aan een professionalisering van de brandweer. Bovendien kwamen er peperdure maar reuze-effectieve stoombrandspuiten op de markt, waarvoor een specialistische bediening onontbeerlijk was. In Amsterdam werd in 1874 zelfs een beroepsbrandweer opgericht, in 1889 gevolgd door Den Haag en in 1910 in Groningen.
Aan het begin van de twintigste eeuw was er een bonte diversiteit aan organisatievormen voor de brandweer. Naast de beroepsbrandweren waren er aangewezen brandweren, waarbij mannelijke ingezetenen verplicht werden tot de ‘dienst aan de brandspuit’, plichtbrandweren, waarbij gemeentewerklieden verplicht lid werden van de brandweer, vrijwillige brandweren in dienst van gemeenten, particuliere vrijwillige brandweren die door gemeenten werden ‘ingehuurd’ en politie-brandweren. Vervolgens waren er van al deze vormen tussenvormen verzonnen, zoals beroepskernen met vrijwillige aanvulling of politiekernen met plichtbrandweeraanvullingen, enz.

Lokale veiligheidszorg
De brandweerzorg was van oudsher een lokale, later gemeentelijke overheidszorg. Ook de openbare orde was een lokale aangelegenheid, maar de justitiële taken werden nogal eens door hogere bestuursniveaus uitgevoerd. Met de gemeentewet van 1851 werden brandweer- en politietaken expliciet aan de gemeenten opgedragen. Omdat brand gelukkig een zeldzaam verschijnsel was maar verstoring van de openbare orde dagelijkse kost was, ontstonden veel beroepspolitiekorpsen en korpsjes en waren er relatief weinig parate brandweerorganisaties. Het lag daarom voor de hand om in het zeldzame geval van brand de immer aanwezige politieagenten of veldwachters uit te laten rukken naar de brand en ze beperkte blusmiddelen te verschaffen. Zo snelden ze vaak met ‘slangenwagentjes’ of handbrandblusapparaten naar de brand, terwijl ondertussen de vrijwillige brandweer gemobiliseerd werd. Vaak kon de politie een beginnend brandje op zo’n manier blussen. Vooral de komst van de waterleidingen, waardoor voor de brandblussing in de beginfase kon worden volstaan met een standpijp of opzetstuk, een paar slangen en een straalpijp, alles makkelijk bij elkaar te stapelen op een handzaam karretje, heeft deze wijze van brandbestrijding gestimuleerd. In een groot aantal gemeenten werd deze werkwijze gehanteerd, totdat brandweerkorpsen zodanig ontwikkeld waren dat ze zelf snel ter plaatse konden komen en effectief optreden. Dat was vooral na de motorisering in de jaren twintig van de twintigste eeuw, waardoor met veel minder brandweerpersoneel kon worden volstaan dan bij de arbeidsintensieve handspuiten en er kleinere, snellere en geoefender brandweerkorpsen konden gevormd. Geleidelijk aan kon de politie zich weer wat meer bezig houden met de openbare orde-taken die bij brand toch ook niet onbelangrijk waren.

Politiebrandweer
In de steden met een beroepsbrandweer waren vooral de personele kosten erg hoog. Na de opkomst van het socialisme in Europa begon ook in Nederland de roep om socialere werkuren te komen. Acht uur per dag vond men genoeg. In Amsterdam werd het aantal uren verminderd door het rooster aan te passen. De Haagse beroepsbrandweerlieden deden 112 uur dienst en dat moest worden teruggebracht tot 56 uur. Dat betekende een verdubbeling van het personeelsbestand. De hoge kosten die dat met zich meebracht waren de aanleiding om een reorganisatie voor te bereiden, waarbij de brandweer voor een deel weer op vrijwilligers zou steunen. De commandant was het daar niet mee eens en dreigde met ontslag. Het werd hem nota bene verleend. In september 1920 trad in Den Haag een nieuwe hoofdcommissaris van Politie, F. van ‘t Sant aan. Die kwam op het lumineuze idee om zijn politieagenten tijdens de verplichte rusturen tussen de rondes paraat te laten zijn als brandwachten. Voor het eenvoudige bluswerk was een zware opleiding niet nodig en alleen voor de bevelvoering en het rijden en bedienen van het brandweermaterieel waren specialisten nodig. Van ‘t Sant, die grote invloed in politieke kringen had, kreeg zijn zin en op 10 juni 1921 werd hij officieel ook commandant der brandweer. Enige jaren later werd hij zelfs voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Brandweervereniging, die ironisch genoeg in 1916 was opgericht door de toenmalige – en vier jaar later ontslagen – brandweercommandant van Den Haag, C.F. Tuckermann. Van de 256 Haagse brandweermensen bleven er 28 over. De rest ging naar andere gemeentediensten, met vervroegd pensioen of met ontslag. Ook Heerlen worstelde met de brandweerkosten, omdat het voor een vrijwillige brandweer te druk was geworden in de snelgroeiende stad en een beroepsbrandweer te duur werd geacht. De politiebrandweer werd als oplossing gezien en in augustus 1921 werd ook daar de politie exclusief met de brandweertaak belast.
De Haagse politiebrandweer stond in Nederland model voor een goedkope vorm van brandbestrijding en het voorbeeld werd gevolgd in Delft (1925), Rijswijk (1926) en Leiden (1934). Ook in andere gemeenten zoals Wassenaar, Den Helder, Renkum en Leeuwarden werd de brandweer onder leiding van de politie gebracht, maar daarbij werden veelal wel vrijwillige brandweerkorpsen in stand gehouden als aanvulling.
Overigens was het idee van Van ‘t Sant niet nieuw. Vooral in Groot-Brittannië was in de kleinere gemeenschappen de politie al belast met de brandweertaak. Met de oprichting van de Nationale Brandweer in 1941 kwam daar aan deze organisatievorm definitief een einde, maar in veel gemenebestlanden vindt men de constructie nog terug.
Ook de grootste en dus duurste beroepsbrandweer, die van Amsterdam, stond op het punt om te worden samengevoegd met de politie. Het krachtige verzet van de invloedrijke brandweercommandant C. Gordijn jr., het Jordaanoproer in 1934, waarbij de hele politie zijn handen vol bleek te hebben en de dreiging van een oorlog en de daarbij behorende luchtbeschermingsmaatregelen staken tenslotte een stokje voor de reorganisatie.
Aan het einde van de jaren dertig waren er volledige politiebrandweren in Den Haag (568 man), Leiden (135 man), Delft (94 man), Heerlen (68). Een aantal andere grote gemeenten hadden organisaties waarbij de politie bij brand werd aangevuld met plicht- of vrijwillige brandweerlieden, zoals Leeuwarden, Breda, Zeist, Roosendaal, Rijswijk en Wassenaar.

Brandweerpolitie
De tweede wereldoorlog bracht een sterkte uitbreiding van de brandweer in Nederland. Allereerst werd nog in 1940 een groot deel van het vrijwillige personeel van de Luchtbeschermingsbrandweer voor de duur van de oorlog (die toen nog kort werd ingeschat) in vaste dienst genomen ter versterking van de brandweerkorpsen in de grote steden. Verder werd een brandweerorganisatie naar Duits model opgelegd. Dat betekende dat steden met meer dan 100.000 inwoners een beroepsbrandweer moesten hebben en dat aan alle brandweereenheden allerlei eisen gesteld werden. Vooral daardoor werden veel mannen door hun aanstelling bij een vrijwillige of beroepsbrandweer gevrijwaard voor allerlei bezwarende maatregelen. Voor steden als Rotterdam en Haarlem betekenden de maatregelen dat een complete beroepsbrandweer moest worden geworven, aangesteld, opgeleid, gehuisvest en uitgerust. Voorwaar een grote operatie.
Maar ook de gemeenten met een politiebrandweer ontkwamen niet aan de reorganisatie. Daar moesten de brandweer en politie weer ontkoppeld worden en ook daar moesten beroeps- of vrijwillige brandweerkorpsen helemaal opnieuw opgericht worden. Daarmee kwam een einde aan de politiebrandweer, die vooral uit financiële overwegingen als organisatievorm was uitgevonden.
In 1943 werd de situatie weer overhoop gegooid. Naar Duits voorbeeld werd de brandweer een politietaak. Met ingang van 1 maart van dat jaar werden de beroepsbrandweren in de wat grotere gemeenten brandweerpolitie. Vrijwillige brandweerlieden werden als hulppolitiemensen beschouwd. De korpsen in de vijf grootste gemeenten, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Arnhem werden zelfs opgenomen in de Staatsbrandweerpolitie en daarmee onderdeel van de Ordnungspolizei. Ook een in 1942 uit voornamelijk gedemobiliseerde militairen gevormde mobiele brandweercolonne, die al onder het rijk ressorteerde, werd politieonderdeel.
Vanaf de bevrijding van het eerste metertje Nederland, in september 1944, werd een Tijdelijk brandweerbesluit van kracht, waarbij de brandweer weer geheel onder de zorg van de gemeente werd gebracht, maar van rijkswege wel eisen gesteld konden blijven. Zo moesten de meeste beroepsbrandweren voorlopig in stand gehouden worden. In 1948 herkregen de gemeenten weer de volledige zeggenschap over hun brandweerorganisatie.

Toch weer politiebrandweer
Een aantal gemeenten koos voor terugkeer naar de vooroorlogse situatie, maar vaak werden de professionaliseringsslagen die in de oorlog gemaakt werden behouden. In 1952 werd eindelijk een nieuwe brandweerwet ingevoerd, waarbij de brandweerzorg definitief weer bij de gemeenten werd teruggebracht. Alleen Delft en Rijswijk hadden hun politiebrandweer weer heropgericht en in Leeuwarden en Den Helder was men ook al overgegaan op het systeem van brandweerzorg door de gemeentepolitie. Met de toenemende roep om specialisatie en professionalisering bij zowel brandweer als politie kwam het inzicht dat de taken niet meer te combineren waren en in 1962 stapte Den Helder en in 1965 Leeuwarden en Delft van hun politiebrandweer af. Rijswijk sloot als laatste de rij door in 1973 brandweer en politie weer te scheiden.
In het warmere deel van het koninkrijk, op de Nederlandse Antillen en in Suriname werd bij de inrichting van de politie in 1949 ook de brandweertaak bij de politie ondergebracht. In onze tropische koninkrijksdelen was brand zo mogelijk een zeldzamer verschijning, omdat stoken voor verwarming daar niet voorkwam. Toch moest na de ernstige rellen op Curaçao in 1969 ook daar geconstateerd worden dat brandweer- en politietaken niet te combineren waren, waarna successievelijk alle eilanden de brandweertaken van het intereilandelijke politiekorps overdroegen aan eigen eilandelijke brandweerkorpsen en -korpsjes. In Suriname is de brandweertaak formeel bij de politie gebleven, maar werd wel een aparte afdeling brandweer opgericht.
Een andere vorm van politiebrandweer ontwikkelde zich vaak bij bedrijfsbrandweren en bijvoorbeeld op de nationale luchthaven Schiphol. Daar werd de brandweertaak vanaf 1948 uitgevoerd door het Korps Orde & Veiligheid, waarvan de leden bij toerbeurt brandweer- en politiediensten verrichtten. Met de opening van de nieuwe luchthaven in 1968 was aan een scheiding van taken niet meer te ontkomen en werden de personeelsleden definitief bij een van de afdelingen ingedeeld. Een paar jaar later werden de diensten ook organisatorisch gescheiden.

Tenslotte
Inmiddels is wel gebleken dat een verdergaande samenwerking tussen de hulpdiensten – vooral in het kader van de rampenbestrijding – gewenst is. Ook is er het besef dat samenvoeging van de meldkamers niet onverstandig zou kunnen zijn. Of we via een samenwerking en integratie weer afstevenen op een politiebrandweer blijft nog even koffiedik kijken. Nieuwe samenwerkingsvormen dienen zich aan.

Tenslotte nog een waarschuwing: Tegenwoordig wordt Science Fiction serieuzer genomen, nu technische onmogelijkheden van het verleden gewone dagelijkse zaken van het heden zijn geworden. Eén van de klassiekers in het SF-genre werd halverwege de jaren zestig geschreven door Ray Bradbury. Onder de titel ‘Fahrenheit 451’ beschrijft hij een brandweerman van de toekomst. Omdat er door de fantastische preventievoorzieningen geen brand meer is, houdt de brandweer zich bezig met het verbranden van boeken, want daar worden mensen maar ontevreden of ongelukkig van. Als er boeken gesignaleerd worden – meestal door verraad, rukt de brandweer uit met een modern voertuig. Het huis wordt doorzocht, de gevonden verboden boeken in de tuin gelegd en de brandweermannen rollen hun slangen uit. Die spuiten vuur en de boeken worden vernietigd. Als science fiction toch eens toekomst wordt, is de cirkel rond: de politie die vroeger brandweertaken verricht is vervangen door een brandweer die politietaken verricht…. Als dat maar een boze droom blijft!!

Gerard Koppers, mei 2002

Literatuur
Aarssen, K. en Toorenburg, S., De Delftsche Brandweer, Delft 1994;
Boomsma, H. en Mangé, J.B., Beroepsbrandweer Leiden 50 jaar 1943-1993, Dordrecht 1993;
Broeshart, A.C., Rijswijk, den Hemel hoede het voor Ongeluk en Brand, Rijswijk, 1995;
Broeshart, A.C. en Haas, H. de, Die brand moet uit, 100 jaar beroepsbrandweer in ‘s-Gravenhage, Rijswijk, 1989;
Carsjens, J., Vijfentwintig jaar Korps Marinebrandweer, Den Helder, 1982;
Centraal Bureau voor de Statistiek, Statistieken Politie en Brandweer, Den Haag, 1934 tot 1941;
Centraal Bureau voor de Statistiek, Statistiek der Branden, Den Haag, 1950 e.v.
Dijk, B. van, Van brandbel tot pieper, Zeist, 1993;
Elink Schuurman, mr. W.H.A., Hoe werkt de brandweer?, Deventer 1913;
Heijden, G.W.G. van der, Bredase Brandweer, Redding in Nood, Breda, 1991;
Koninklijke Nederlandsche Brandweervereeniging, Jaarboek 1932-1933, Den Haag, 1933;
Koppers, G.P., Vijftig jaar inspectie voor het Brandweerwezen, Den Haag, 1990;
Savelberg, T., Van blusemmer tot schuimkanon, de Heerlense brandweer van 1862 tot 1984, Heerlen, 1984;
Spruit, G. en Wijfjes, T.L., Van Kerk tot Brandweerkazerne, 300 jaar Brandweer Wassenaar, Wassenaar, 1995;
Wormgoor, drs. I., 100 Jaar Zwolse Brandweer, Zwolle, 1994;
diverse dossiers in het Nationaal Brandweer-documentatiecentrum (NBDC).