nationaal brandweer documentatie centrum

Meldkamer geschiedenis

De vroegste verbindingen
Interbellum
Tweede wereldoorlog
Regio’s
Techniek

Morse-telegraafEnige details uit de geschiedenis van de meldkamers in Nederland
De meldkamers van brandweer, politie en ambulancehulpverlening staan volop in de belangstelling. Zowel de fusieprocessen die overal gaande zijn als de nieuwe apparatuur (GMS, C2000) houden de aandacht op de zenuwcentra van de hulpdiensten gericht.
Om ons nog eens te kunnen realiseren hoe snel de ontwikkelingen eigenlijk gegaan zijn, nemen we hieronder nog even een kort overzicht van de geschiedenis van de meldkamers op.

De vroegste verbindingen
1845
De eerste telegraafverbinding komt tot stand tussen Amsterdam en Haarlem. Deze is uitsluitend bestemd voor de Spoorweg. Gebruik wordt gemaakt van het in 1838 ontworpen Morse-schrift.

1852
Het Rijk neemt alle telegraafverbindingen over en stelt deze ten dienste van de overheid en (betalende) klanten.

1872
Op 16 september wordt de 32-jarige P.W. Steenkamp, 1ste luitenant van de Artillerie, benoemd tot de eerste commandant van de op te richten beroepsbrandweer. Op 1 juni 1878 wordt hij benoemd tot hoofdcommissaris van Politie in Amsterdam. (Over job-rotation gesproken – zie redactioneel jongste Brand & Brandweer)

Centrale seinzaal brandweer Amsterdam1874
In Amsterdam wordt de eerste beroepsbrandweer van Nederland opgericht. Voor de verbindingen tussen de negen kazernes wordt een telegraafnet aangelegd, waarop ook de burgemeester, de wethouder voor de Brandweer en het hoofdbureau en de zes sectiebureaus van de politie worden aangesloten. Bovendien zijn er 130 brandschellen in de stad aangesloten op het net, waarmee de hulp van de brandweer kan worden ingeroepen. Middelpunt in dit eerste ‘particuliere’ telegraafnet is de Centrale Seinzaal van de Brandweer op de bovenverdieping van het Stadhuis. De eerste meldkamer op een gesloten net en de eerste meldkamer voor Openbare Veiligheid is een feit.
In het eerste jaar van het bestaan van het net worden door de brandweer ruim 45.000 en de politie 12.000 berichten verzonden.

1881
Opnieuw in Amsterdam een primeur: De Bell-company opent een telephoonnet met 49 aansluitingen, waarvan de centrale seinzaal van de brandweer er één is. De telefoon groeit explosief en in 1888 komen de eerste interlokale verbindingen tot stand. Die interlokale verbindingen worden in 1897 door het Rijk (PTT) overgenomen.

1889
Naar Amsterdams voorbeeld wordt op 5 oktober in Den Haag een beroepsbrandweer opgericht, die zich ook bedient van een eigen telegraafnet. De centrale seinzaal is in de kazerne aan de Prinsestraat.

1900
Met behulp van een soort veldtelefoon wordt het in Amsterdam mogelijk om telefonisch contact tussen de brandschellen en de centrale seinzaal tot stand te brengen.
In 1901 wordt in Amsterdam een proef genomen met huismelders, waarbij elk bewoond pand in een aantal straten wordt aangesloten op de dichtstbijzijnde brandschel. In 1905 waren er 554 huismelders, maar door het kostbare onderhoud wordt de proef vijf jaar later beëindigd.

1921
Nog even terug naar de job-rotation: Op 10 juni wordt de hoofdcommissaris van Politie F. van ’t Sant tevens benoemd tot commandant van de brandweer in Den Haag. Dat heeft te maken met de samenvoeging van de beide korpsen, waardoor een aanzienlijke personeelsbesparing kan worden verkregen. Op 27 juni 1925 volgen Delft, in 1926 Rijswijk en in 1934 Leiden dit voorbeeld. De laatste politie-brandweer wordt in 1973 opgeheven.
Overigens wordt de brandweer in Nederland vanaf 1941 organisatorisch een onderdeel van de politie, maar dat heeft eerder tot gevolg dat de taken gescheiden worden dan gedeeld.

Stafwagen Brandweer Amsterdam 1924Interbellum
Met de komst van de automobiel en verdere uitbreidingen van telefoonnetten krijgen brandweer en politie buiten de grote steden een wat professioneler karakter. Brandmelding geschiedt over het algemeen aan de telefoon van de commandant, wiens echtgenote meestal wel thuis is. Daarop worden langs verschillende wegen de brandweerlieden gealarmeerd, afhankelijk van de draagkracht van de gemeente. Er zijn systemen met kleppermannen en het luiden van een klok, maar ook met wekkerschellen via een eigen gesloten net, fluiten op het gasstel, die reageren op een verhoging van de gasdruk of zelfs mededelingen via de radiodistributie. De meeste van die systemen worden dan weer bediend door de politie, waar altijd iemand op het bureau geacht wordt te zijn.
Vanaf de jaren twintig worden op sommige plaatsen brancard-auto’s of ambulances gebruikt voor hulp bij ongevallen. De exploitatie is meestal in handen van kruisverenigingen, artsen, ziekenhuizen, taxibedrijven en soms van gemeenten. Daar waar gemeenten de ambulances organiseren, wordt soms brandweerpersoneel gebruikt voor het besturen van de auto’s.
De grote politiekorpsen schakelen in de jaren dertig over op de gentex (een telex op lange papierrollen, zoals bij de beurzen in Amerika in gebruik) en sommige zelfs op telex.
Vlak voor de oorlog komen in sommige korpsen radio-telefonische verbindingen in gebruik. Overigens heeft (alweer) Amsterdam al in 1924 de beschikking over een stafwagen, waarmee een radio-telefonische verbinding met de centrale seinzaal kan worden opgebouwd.
Naar aanleiding van een aantal rampzalige natuurbranden worden in de jaren dertig in bosrijke omgevingen speciale bosbrandweerorganisaties opgericht, die zich bedienen van brandtorens en telefonische wachten.

LuchtalarmTweede wereldoorlog
Ten behoeve van de Luchtbeschermingsorganisatie worden vanaf 1936 overal in het land centrale meldposten aangelegd, vanwaar de coördinatie van de hulpverlening bij bombardementen en oorlogshandelingen plaats kan vinden. In feite zijn dat de eerste multidisciplinaire meldkamers.
Eind 1940 wordt de Rijksinspectie van het Brandweerwezen opgericht, onder leiding van de kapitein der Genie P.L. van Boven en ir. W.E. Eggink, afkomstig van de Politie-brandweer Den Haag.
Ten behoeve van het Duitse bestuurs- en politie-apparaat wordt een landelijk telexnet aangelegd, waarop alle grote politievestigingen en daarmee ook de daaronder ressorterende brandweerkorpsen aangesloten worden.
Vanaf 1944 worden alle brandweren ingedeeld in kringen, die elkaar wederzijdse bijstand moeten verlenen. Dit systeem blijft ook enkele jaren na de oorlog in stand, maar wordt definitief verlaten met de brandweerwet 1952.
De Politie wordt na de oorlog voorlopig en vanaf 1957 definitief verdeeld in gemeentepolitie voor de grotere gemeenten en Rijkspolitie voor de kleinere. Vanzelfsprekend heeft elk gemeentelijk korps en elk RP-district zijn eigen verbindingscentrum of meldkamer. De telex en telefoon zijn de verbindingsmiddelen en vanaf 1952 hebben Amsterdam en Rotterdam eigen radiowagens.
Na de oorlog wordt de Luchtbeschermingsorganisatie ontmanteld, maar vanaf 1952 komt er weer een dergelijke organisatie, de Bescherming Bevolking. Ook die krijgt de beschikking over commandoposten en wijkcentrales.
Regio’s
Behalve de twee streekbrandweren die vlak na de oorlog zijn opgericht, is de brandweer in Nederland weer teruggegaan naar het gemeentelijk zorgpakket. Naar aanleiding van de treinramp in Harmelen in 1962 en de strenge winter 1962/1963 komt er weer een roep om meer samenwerking tussen brandweerkorpsen. Met financiële voordelen en subsidies wordt dat van rijkswege gestimuleerd en op 19 februari 1969 wordt als eerste in het nieuwe tijdperk de regio ‘Midden-Brabant’ opgericht. Een jaar later volgen Gooi- en Vechtstreek, Walcheren en Roosendaal. In dat jaar wordt in Breda en Tilburg begonnen met een proef met het alarmnummer ‘0011’. De proef wordt in 1978 opgeschort in het kader van de bezuinigingen, maar in juni 1986 wordt het project opnieuw opgestart.
In november 1972 legt de Commissie Verbindingen Brandweer van de Amstelveengroep een plan aan de minister voor, waarin een totaal nieuw verbindingsnetwerk voor de brandweer en ambulance-hulpverlening wordt voorgesteld. Vier maanden later kent de Nationale Frequentie Commissie de 13 voorgestelde kanalen aan de brandweer toe, waarbij één kanaal, kanaal 10, is voorbestemd als rampenkanaal, waarop zowel brandweer als ambulancediensten konden samenwerken.
In 1974 wordt gekozen voor een sterke financiële stimulering van de regiovorming bij de brandweer, waarvan men beoogde dat daarvan 44 zouden komen, zoveel als de nieuwe bestuurlijke gewesten die de regering op dat moment voor ogen had. In 1977 houdt de minister van Binnenlandse Zaken in de begroting zelfs een betoog voor de overheveling van brandweer- politie- en ambulancetaken naar de (dan) 26 te vormen miniprovincies. Die miniprovincies hebben het niet gered, maar er zijn toevallig wel 25 politieregio’s gekomen.
De Interimregeling Rijksbijdragen Regionale Brandweren zorgt vanaf 4 oktober 1976 voor een enorme stimulans van de regiovorming, waarbij de totstandkoming van alarmcentrales een voorwaarde voor de toekenning van de enorme subsidies wordt.
Na een proef in Limburg worden op 25 april 1978 zes verbindings-commandowagens overgedragen aan de Inspectie, die ze over het land verdeelt.

VC2Techniek
Begin 1974 had de regionale brandweer Midden-Brabant de primeur van de alarmontvangers voor het oproepen van vrijwillige brandweerlieden. Vanaf de oorlog waren in de meeste gemeenten de luchtalarmsirenes daarvoor gebruikt.
Ook aan apparatuur voor de nieuw te vormen alarmcentrales wordt gewerkt. In 1979 wordt samen met het Rijkscomputercentrum Limburg CCL een project met de naam PARBAC gestart, waarbij de beslissingsondersteuning op de AC’s geautomatiseerd wordt. Natuurlijk is zo’n nieuwigheid niet eenvoudig in te voeren, want pas in 1983 wordt de proef met dat systeem in drie alarmcentrales uitgevoerd. Enige jaren later vervalt de ‘P’ van proef en wordt ARBAC op de meeste alarmcentrale’s, waarvan sommige uit financiele overwegingen gecombineerd worden met de centrale posten ambulancevervoer (CPA) in gebruik genomen.

Op 1 juni 1988 wordt het Landelijk Coordinatiecentrum bij BiZa op een nieuwe leest geschoeid, zodat het ook in vredestijd snel en gemakkelijk inzetbaar wordt.
Eind 1989 wordt besloten tot het opbouwen van een Nationaal Noodnet.
In 1992 wordt het LMNI (Landelijk meetnet nucleaire incidenten) met ruim 300 meetposten operationeel; een rechtstreeks gevolg van de ramp in Tsjernobyl.

Tegen het einde van de twintigste eeuw gaan ontwikkelingen snel. Een nieuw gezamenlijk meldkamersysteem wordt bedacht als opvolger van de ARBAC, er komt een ontwerp voor een geheel nieuw verbindingsstelsel en in het kader van de millenniumbestendigheid van de apparatuur wordt veel getest en gepland. De 21ste eeuw belooft met de nieuwste technieken nog snellere ontwikkelingen!

G.P. Koppers, september 2000