nationaal brandweer documentatie centrum

Hemelse Helpers

Over de relatie tussen heiligen en vuur
door P.F.G.H. Snellen

St. FloriaanInleiding
Wat is een heilige?
Heiligen, brand en brandweer
St. Floriaan
Sint Barbara
Sint Agatha
Sint Donatus
De Heilige Laurentius
Sint Wendelinus
Sint Antonius (Abt)
Theobald von Thann
Sint Catharina van Siena
Allerheiligen
Christelijke beschermheiligen tegen brandgevaar – een overzicht:
Overzicht uit ‘Heiligen van alle tijden / levens-legenden-iconografie’

Inleiding
Wie in de Duitstalige landen zijn licht opsteekt bij brandweerkorpsen, treft daar in praktisch alle kazernes afbeeldingen aan van Sint Floriaan, de patroonheilige van de brandweer. Bezoekt men daarentegen korpsen in België of Frankrijk, dan zijn het beelden van Sint Barbara, die in de kazernes geplaatst zijn om de brandweerlieden eraan te herinneren dat ze er niet alleen voorstaan in hun soms gevaarlijke werk. Nieuwsgierig geworden, ga je dan op onderzoek uit. Wie waren deze heiligen en waarom worden ze vereerd door de brandweerlieden? En hoe staat het in Nederland? Heeft onze brandweer ook een patroonheilige, en zo ja, wie is dat dan?
Op zoek naar het antwoord op deze vragen werpen zich steeds nieuwe namen op als beschermheilige tegen brand of patroonheilige van de brandweer. Maar het antwoord op de vraag “Wie helpt de Nederlandse brandweer een handje vanuit de hemel?” blijft vooralsnog open.
Wat is een heilige?
Voor een goed begrip van de tekst is het noodzakelijk, in het kort te schetsen wat het begrip “heilig” nu eigenlijk inhoudt.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden kunnen we het best gebruik maken van een anecdote, zoals ik die las in een Duits boekje (Rudolf Zinnhobler: Die Lorcher Heiligen; Ried im…).

“Op zekere dag liep een kleine jongen met zijn vader een kerk binnen. De ochtendzon scheen die dag en het licht daarvan viel door de glas-in- loodramen, waarop een aantal heiligen afgebeeld was. De jongen stelde zijn vader de vraag: “Papa, is een heilige een mens, door wie de zon schijnt, door wie het zonlicht op ons valt?”
Een vraag, die eigenlijk al het antwoord bevat. Immers, dàt is een heilige: een mens, door wie het licht van God op ons valt. Eigenlijk is een heilige een transparant, een dia, waardoor we de Godheid kunnen aanschouwen.”

Nu klinkt dit allemaal wel erg theologisch, maar populair gezegd kunnen we stellen, dat een heilige iemand is, die gedurende zijn of haar leven iets zodanig bijzonders gepresteerd heeft dat hij of zij daardoor een voorbeeldfunctie bekleedt voor de anderen. Van de heilige moet echt iets “uitstralen”, dat een vormende waarde heeft voor de mensen.
Er zijn meer dan 25000 heiligen, waaronder een aantal zeer bekende en een nog groter aantal onbekende.
één ding hebben zij echter gemeenschappelijk: allen zijn door de Rooms Katholieke Kerk heilig verklaard.
Die heiligverklaring gaat niet vanzelf. Er gaat een hele kerkelijke procedure aan vooraf. Zo moet er ondermeer aangetoond worden, dat op voorspraak van de aspirant-heilige wonderen hebben plaatsgevonden. Vaak duurt het meer dan honderd jaar na het overlijden van de betreffende persoon, alvorens een paus de heiligverklaring uitspreekt.
Uit heel het voorgaande blijkt wel, dat het begrip “heilige” vooral binnen de katholieke kerk een betekenis heeft.

Dat wil echter niet zeggen, dat de protestante kerken geen heiligen kennen.
Binnen vele protestante kerken mag en kan “het gedenken van heiligen” plaatsvinden, opdat men hun geloof kan navolgen. Niet toegestaan wordt echter het aanroepen van heiligen tot voorspraak bij God.
Omgekeerd heeft het Concilie van Trente (1545-1563) de heiligenverering voor Katholieken niet dwingend voorgeschreven, maar als goed en nuttig voorgesteld.

Om het geheel goed te begrijpen is het navolgende van belang.
De Katholieke heiligenverering onderscheidt zich van veel andere religies door deze bijzonderheid: het geloof aan de “gemeenschap van de heiligen”, die zowel levende als gestorvenen omvat; dat betekent voor katholieken dan ook, dat de mensen zich met de dingen die hen bezighouden kunnen wenden tot hen, die ons zijn voorgegaan in het eeuwige geluk, zoals je ook aan een levende kunt vragen voor je te bidden.
Dat de heiligenverering in de loop van de historie hier en daar wat ontspoord is, valt niet te ontkennen. Toch vormt de heiligenverering een van de mooiere uitdrukkingsvormen van het katholieke geloof; bovendien is het uitdrukking van het geloof in het eeuwige leven; optimistischer kan het welhaast niet.
Heiligen, brand en brandweer
De mogelijkheid bestaat dus binnen het katholieke geloof aan anderen, of die nu levend zijn of overleden, maar in wie je vertrouwen hebt, te vragen, een goed woordje voor je te doen bij God; God is almachtig en kan dus ingrijpen in je leven, in je alledaagse bestaan.
Is het dan verwonderlijk dat vele gelovigen hun zorgen toevertrouwen aan God of Hem vragen om een bepaalde ingreep?
Wie God niet rechtstreeks wil benaderen, kan dat door bemiddeling van een heilige doen. Een heilige staat al dicht bij God, maar is ook mens geweest en kan dus als geen ander weten, welke zorgen mensen hebben.
Een van de zaken die de mensheid altijd heeft beziggehouden is brand.
Een brand kan in één klap je leven kosten, je gezondheid bederven en al je bezittingen vernielen. Brand komt meestal onverwacht. Allemaal zaken die er de oorzaak van waren, dat de mensen bang voor brand waren (zijn?).
Veel gelovigen hebben dus altijd hetzij rechtstreeks, hetzij via bemiddeling van een heilige aan God gevraagd hen te behoeden voor de allesvernietigende kracht van het vuur.

Bepaalde heiligen genieten de reputatie, voor bepaalde zaken bijzondere aandacht te hebben. Heiligen worden gevraagd om bepaalde ziekten te genezen of te voorkomen, of om het weer te beïnvloeden zodat de oogsten gelukken, of, zoals in ons geval om te voorkomen dat men door brand getroffen wordt.
Als een heilige een bepaalde roep geniet, kunnen we spreken van beschermheiligen.

Daarnaast hebben we nog patroonheiligen, heiligen die speciaal aangeroepen worden door beoefenaars van bepaalde beroepsgroepen. Ongetwijfeld hangt dit nog samen met de middeleeuwse samenlevingsstructuur, waarin bepaalde beroepsgroepen verenigd waren in gilden. De invloed van de Kerk op het dagelijks leven was alomtegenwoordig en het sprak welhaast vanzelf, dat de gilden de naam kozen van een heilige, die hen tot voorbeeld strekte.
Ook de schuttersgilden, die in het zuidelijk gedeelte van ons land nog zeer actief zijn, dragen altijd de naam van een heilige, hun patroon.
Meestal is er wel een aanleiding om juist deze heilige tot patroonheilige te kiezen. Dat kan gelegen zijn in het verhaal van zijn of haar leven en sterven (vaak een marteldood), maar ook door de naam. Donatus (de naam herinnert sterk aan het woord ‘donderen’) bijvoorbeeld wordt in vele streken vereerd als beschermheilige tegen onweer.
Van enkele heiligen willen we u de prachtige verhalen, die over hen de rondte doen, niet onthouden.

St. Floriaan beeldSt. Floriaan
Als patroonheiligen van de brandweer wordt in het Duitse taalgebied (maar ook het in het oosten aangrenzende gebied) vereerd als patroonheilige van de brandweer.
Maar ook als beschermheiligen tegen brandgevaar geniet hij een zekere reputatie.
Wat denkt u van dit – toch van weinig christelijke naastenliefde getuigend (vertaald) versje, dat men soms aantreft op de gevel van een boerderij in – voornamelijk – Zuid-Duitsland.

Allerbeste Sint Floriaan,
Spaar ons huis
En steek een ander aan.

Sint Florianus was volgens het verhaal een hoge militaire beambte van stadhouder Aquilinus in de Romeinse provincie Ufernoricum – ongeveer het huidige Oostenrijk – in de tijd van keizer Diokletianus, die regeerde tussen 284 en 305 na Christus.
Aan deze keizer wordt de laatste en de grootste christenvervolging ten noorden van de Alpen toegeschreven, die rond het jaar 303 werd ingezet. Aanvankelijk hield dit in, dat men geacht werd alleen nog maar te offeren aan de Romeinse keizer en aan de door de overheid erkende goden. Wie dit weigerde kon geen ambt uitvoeren en dus werd Florianus – die zich tot het katholieke geloof bekeerd had en weigerde de Romeinse goden te vereren – vroegtijdig ontslagen. Hij trok zich in Cetium (het huidige Sankt P”lten) terug.
Na ongeveer een jaar werd er een tweede decreet uitgevaardigd, waarin stond dat de gehele bevolking in het openbaar het Romeinse geloof diende te beleiden en wie dit weigerde zou worden gevangen genomen en gemarteld.
Volgens de legende (de oudst bekende handschriften met betrekking tot deze heilige stammen van ongeveer 450 jaar na de dood van Florianus) werden al spoedig veertig jonge mannen gearresteerd om ten voorbeeld gesteld te worden. Florianus kwam dit ter ore en omdat hij een hoge functie bekleed had, hoopte hij op grond van zijn status dit gevaar van zijn broeders te kunnen afwenden. Hij begaf zich op weg naar Lauriacum, het tegenwoordige Lorch. Toen hij in de buurt van deze stad kwam, ontmoette hij op de brug een groep militairen, die was uitgezonden om Christenen op te sporen. Hij bekende zich als Christen en werd onmiddellijk gevangen genomen en voor de stadhouder gevoerd. Deze probeerde tevergeefs hem over te halen het christelijke geloof af te zweren; zijn woorden: “Over mijn lichaam heeft u de macht, maar mijn ziel kan alleen God beroeren. Ik heb als soldaat altijd gehoorzaamd, maar ik weiger hersenspinsels te aanbidden.” lieten de stadhouder in blinde woede ontsteken en Florianus werd herhaalde malen gefolterd.
Niets hielp echter en Florianus werd alleen maar gesterkt in zijn geloof. Op 4 mei 304 werd Florianus een zware molensteen om de hals gehangen en werd hij vanaf de brug over de Enns in het water geworpen.

Voor hij het water aanraakte braken zijn ogen. Op het moment dat het lichaam in het water viel, werd de rivier wild en wierp een grote golf het lichaam op een uitstekende rots. Een adelaar kwam aangevlogen en beschermde het lichaam met zijn grote vleugels.
Een vrome vrouw kreeg daarop een visioen waarin Florianus haar verscheen en haar aanwijzingen gaf, waar zijn lichaam zich bevond en waar hij begraven wilde worden. Onmiddellijk spande de vrouw de ossen in en begaf zich op weg. Na verloop van tijd waren de dieren door de warmte zo uitgeput, dat ze niet verder wilden gaan. De vrouw bad tot God om hulp en direct ontsprong er op die plaats een bron, waarin de dieren zich konden laven.
De vrouw vond de plaats waar het dode lichaam van Florianus lag en ze bracht hem naar de plaats, waar hij begraven wilde worden en bestelde hem in grote haast ter aarde, bang voor eventuele represailles van de overheid.

Inmiddels is het – wetenschappelijk gezien – zeer aannemelijk, dat Florianus inderdaad moet hebben bestaan. Ook het feit, dat er in Lorch veertig mensen vrijwel gelijktijdig met hem zijn gestorven ten gevolge van de christenvervolging is bewezen, onder andere door het vinden van een massagraf met de beenderen van veertig mensen in de Sint-Laurensbasiliek in Lorch, toen die rond 1900 werd gerestaureerd.
Dat er, vooral door mondelinge overlevering, zaken aan de verhalen zijn toegevoegd om het geheel wat smeuïger te maken, lijkt onvermijdelijk.

Over de verblijfplaats van de stoffelijke resten van Sint Florianus bestaat onduidelijkheid. Het Poolse Krakau pretendeert een groot aantal relikwieën van deze heilige te bezitten, maar hetzelfde geldt voor het klooster Stift Sankt Florian in Linz, waarheen volgens de overlevering het lichaam van Florianus zou zijn bracht om het te begraven.
Andere bronnen weer spreken van Rome, waar de beenderen na de grote volksverhuizing zouden zijn bijgezet tussen die van de Heilige Stephanus en de Heilige Laurentius, waarna ze later naar Polen zouden zijn overgebracht.

In de iconografie wordt Sint Florianus voorgesteld als een Romeins soldaat, die in de ene hand een vaan vasthoudt (vaak voorzien van een kruis) en in de andere hand een klein watervat, waarmee hij water uitgiet over een brandend kasteel, huis of een (gedeelte van) een stad. Niet zelden blijken de kastelen of steden plaatsen in de omgeving te zijn, waar de afbeelding gemaakt is.

Vooral in Zuid-Duitsland en Oostenrijk, maar ook in Bohemen, Polen, Hongarije, Roemenië, Slovenië, Zuid-Tirol en enkele streken in Italië wordt Sint Floriaan vereerd en treft men zijn beeltenis vaak aan op en in openbare gebouwen, boerderijen, kerken en uiteraard brandweerkazernes.
Op 4 mei (zijn sterfdag) worden elk jaar in veel van die gebieden feestelijke bijeenkomsten, plechtige heilige missen en processies gehouden, meestal op initiatief van de plaatselijke brandweer, waaraan de gehele bevolking deelneemt.

In Duitsland wordt de mobilofoonroepnaam van brandweervoertuigen frequent voorafgegaan door de naam Florian; de Duitse PTT heeft hiervoor vanaf 1952 uitdrukkelijk toestemming moeten geven.
Ook in bijna elk herdenkingsboek treft men wel een afbeelding van Sankt- Florian aan en praktisch elke brandweerman in Duitsland heeft wel een beeld van deze heilige op een opvallende plaats in huis staan.
De filatelisten onder u kunnen alleen al een themaverzameling “Sankt Florian” aanleggen met een aantal postzegels uit vooral Oostenrijk en Polen en met veel speciale herdenkingsstempels, uitgegeven bij speciale gelegenheden, betrekking hebbend op de brandweer, zoals jubilea en dergelijke.

Men zou kunnen zeggen: Sint Floriaan leeft!

st BarabaraSint Barbara
De Heilige Barbara werd volgens sommige bronnen geboren in het jaar 254 na Christus, volgens andere “in de eerste jaren van de derde eeuw”.
Dat gebeurde in Nicodemië in Midden-Azië, gelegen tussen de Dardanellen en de Bosporus.
Haar vader, Dioscorus genaamd, bekleedde een hoge functie in het Romeinse keizerrijk; hij aanbad dan ook de goden van de Romeinen, met namen die we nog altijd kennen, als Mercurius, Jupiter, Mars en niet te vergeten Bachus (waar ook in onze tijd nog graag aan geofferd wordt).
Het lijkt geen aangenaam man te zijn geweest en als we de verhalen mogen geloven, regeerde hij, zowel over de aan hem onderworpen burgers als over zijn dochter, met harde hand.
Generatieconflicten zijn echt niet iets van de laatste tijd: Barbara leefde in onmin met haar vader, waarschijnlijk mede door diens strenge optreden en door de gruweldaden die zij om zich heen zag voltrekken.

Op twintigjarige leeftijd bekeerde Barbara zich tot het christelijk geloof, iets wat haar vader haar niet bepaald in dank afnam. Represailles konden dan ook niet uitblijven, zeker niet gezien de sociale status van haar vader, die juist geacht werd de Christenen te vervolgen.
Dioscorus meende het probleem aanvankelijk te kunnen oplossen door een geschikte verloofde voor zijn dochter te zoeken, met als achtergrondgedachte dat zij dan misschien aan andere dingen zou denken dan aan het christendom. Barbara weigerde dit fraaie geschenk van vader, omdat zij vond dat haar persoonlijke vrijheid in het geding zou komen en bovendien, omdat de haar toegedachte partner een heiden (niet-christen) was.
Ten einde raad liet de vader zijn dochter onder strenge bewaking opsluiten in een toren, waarin slechts twee vensteropeningen aanwezig waren.

Tijdens een periode, waarin haar vader voor langere tijd afwezig was, gelukte het Barbara haar bewakers om te kopen; deze lieten een priester binnen, die zich uitgaf voor arts; deze priester diende Barbara desgevraagd het doopsel toe. Om haar geloof in de heilige Drieëenheid tot uiting te brengen, liet Barbara bovendien een derde venster in de toren aanbrengen.
In de iconografie wordt Sint Barbara dan ook meestal afgebeeld met een toren, waarin drie ramen behoren te zijn afgebeeld. Daarnaast heeft zij vaak een palmtak in de hand (ten teken van haar martelaarschap, waarover later meer) en wordt zij regelmatig afgebeeld met een kroon of diadeem op het hoofd.

Als Dioscorus terugkomt van zijn reis en ontdekt wat zijn dochter heeft gedaan, ontsteekt hij in woede en geeft haar nog één kans het christendom af te zweren, hetgeen Barbara natuurlijk hardnekkig weigert.
Hij bedreigt zijn dochter zelfs met zijn zwaard.
Met moeite gelukt het Barbara de vlucht te nemen en zich te verschuilen in een grot, die zich wonderlijk genoeg, net op de goede plaats bevindt.
Zij wordt echter verraden door een herder, die onmiddellijk voor deze verachtelijke daad gestraft wordt, doordat zijn schapen plotseling in sprinkhanen veranderen.
Opnieuw zet haar vader haar gevangen; nu wordt ze bovendien in de ijzers geslagen en krijgt ze geen voedsel meer. Ook dit helpt hem echter niet: Barbara wijkt geen duimbreed van haar standpunt.
Dioscorus levert zijn dochter dan maar over aan de rechter Marcien, die haar laat martelen.
Drie dagen lang doorstaat Barbara, zonder ook maar te klagen, de gruwelijkste martelingen.

Vastgebonden op de pijnbank, wordt ze tot bloedens toe geslagen met bullepezen; men rolt haar door de scherven van kapotgeslagen aardewerk; met vleeshaken misvormen de beulen haar borsten en laten haar vervolgens naakt over de straat lopen, maar een engel verschijnt en bedekt haar met een sluier. Men brandt haar met roodgloeiende metalen lemetten; men tracht haar te vierendelen op een soort eg met zwaardpunten; met verscheurt haar vel met ijzeren kammen.

Haar vader, nog woester gemaakt door haar verzet, eist haar vervolgens weer op, om haar te onthoofden.
Op het moment dat hij haar de beslissende slag met het zwaard toebrengt, voltrekt zich ook de straf voor deze vader, die zich zo tegennatuurlijk en monsterachtig gedragen heeft. Uit de hemel treft hem een felle bliksemschicht, die hem volledig verast. Niets blijft er van hem over. De donderslag die volgt is ongekend hevig. De menigte, die het schouwspel heeft gadegeslagen, verspreidt zich in allerijl, of men valt op de knieën en bekeert zich tot het Christendom.

Op haar graf wordt door de christenen een monument aangebracht, dat al spoedig veel pelgrims aantrekt. Ook worden wonderen aan Barbara toegeschreven, wonderen die zich voltrekken bij haar graf; blinden zien weer, stommen kunnen weer praten, verlamden kunnen hun ledematen weer bewegen en zwakzinnigen komen weer tot verstand.

In de vierde eeuw wordt er voor het eerst melding gemaakt van een klooster, dat Barbara als patronesse aanneemt. In de zevende eeuw wordt voor het eerst een basiliek naar haar genoemd en wordt er in Constantinopel een kerk ter ere van Barbara gesticht.
Pas in de vijftiende eeuw wordt de heilige Barbara populair in onze gewesten. In Normandië en Bretagne, maar ook in bepaalde delen van Italië en Spanje wordt zij bijzonder vereerd en treft men dorpjes, kapellen, straten, scholen en kerken aan, die naar haar vernoemd zijn.
Sint Barbara is sedert de middeleeuwen de patrones van vele beroepen en gezelschappen: gevangenen, beiaardiers, architecten, artilleristen, metaalgieters en vooral mijnwerkers en brandweerlieden.

Sint Barbara wordt aangeroepen als patrones voor een “goede dood” en als beschermheilige tegen een “plotselinge dood”, hetgeen voor brandweerlieden toch een begrijpelijk iets moet zijn.

Ook Sint Agatha heeft met de brandweer van doen.

st. AgathaSint Agatha
Agatha was een christenmeisje uit een vooraanstaande familie.
De Romeinse stadsprefect Quintinian deed het meisje uit Sicilië aanzoeken, maar werd herhaaldelijk afgewezen. Uit woede wierp hij haar in de kerker en liet haar beide borsten afsnijden. Vervolgens werd ze zo lang over brandende kolen gerold, waartussen spitse scherven lagen, tot de dood er op volgde.
Dit moet zich met enige zekerheid in het jaar 251 na Christus hebben afgespeeld.
Een onbekende jongeling zou aan het hoofdeinde van haar graf een monument uit marmer opgericht hebben.
Een jaar later, toen de Etna uitbrak, zou men haar sluier in processie naar de uitstromende lava hebben gedragen. De lavastroom boog vervolgens af zodat de stad Catania gespaard bleef. Vanaf dat moment werd Agatha als heilige erkend; vanaf de vijfde eeuw werd zij ook buiten de grenzen van Sicilië bekend en vereerd.

Op het eind van de veertiende eeuw werd zij met een fakkel in de rechterhand voorgesteld en afgebeeld. Daardoor werd zij het vrouwelijke equivalent van Sint Florianus. Ook wordt ze wel afgebeeld met een schotel, waarop haar afgesneden borsten liggen.
Al in 1435 schrijft Konrad Dangkrotzheim in zijn “heilige namenboek” over Agatha-brood, dat als brandblusmiddel schijnt te voldoen.
Dat Agatha echter waarschijnlijk niet twee broodjes, maar haar afgesneden borsten toont, doet dan even niet ter zake. Want de Kerk deed mee: in 1670, 1742 en in 1842 wordt het gebed voor de wijding van het brood schriftelijk vastgelegd. En sedert de vijftiende eeuw (waarbij men de hoge achting die men in die tijd voor het geschreven woord had in gedachten moet houden) waren er zogenaamde Agatha-briefjes met Latijnse teksten, die bijvoorbeeld op jaarmarkten werden aangeboden. Deze briefjes werden binnenshuis op deuren gespijkerd als bescherming tegen brand. Hoe vaak dat geholpen heeft wordt niet vermeld. Maar dat er vaak branden geweest zijn, meestal met ontzettende gevolgen, is wel zeker. Toch hield dit gebruik stand tot de Tweede Wereldoorlog.

Sint Donatus
Meer dan veertig keer komen we de naam Donatus tegen in het Heiligenlexicon van de katholieke kerk. Als beschermheilige tegen brand komen er slechts twee in aanmerking.
Als eerste is dat de bisschop van Arezzo (sterfdag 30 juni 362), die door toedoen van de stadhouder Quadratianus na velerlei martelingen onthoofd werd en als weerheilige omschreven wordt.

Op de tweede plaats is dat de vrij onbekende heilige Donatus, wiens sterfdag ook op 30 juni door de kerk gevierd wordt. Zijn verering begon in het Rijnland, voornamelijk in de Eiffel maar ook in Luxemburg, Zuid-Duitsland en Oostenrijk, nadat zijn gebeente in 1652 van Rome naar Münstereiffel in het Rijnland overgebracht werden. Paus Innocentius X schonk de stoffelijke resten aan de Generaal der Jezuïeten Nickel, die ze een bestemming gaf in de pas gestichte Jezuïetenkerk in Münstereiffel. Donatus werd bekend als “onweer- en brandgevaar-heilige van het Rijnland” nadat een ontzettend onweer de intocht van de relikwieën van deze heilige in Münstereiffel onmogelijk dreigde te maken, maar de hemel plotseling opklaarde toen zijn gebeente in de streek arriveerde. Ook werd op diezelfde dag een pater-Jezuïet bij de viering van de eucharistie door de bliksem getroffen, maar kwam er praktisch zonder letsel vanaf. Beide gebeurtenissen werden uiteraard toegeschreven aan de heilige Donatus.
Wetenswaard is, dat er een brandverzekeringsmaatschappij moet hebben bestaan, die de naam “Sint Donatus” gevoerd heeft.

De Heilige Laurentius
Laurentius werd in Spanje geboren, maar in Rome opgevoed en aldaar ontving hij ook onderwijs.
Als jongeman reeds onderscheidde hij zich zodanig van zijn leeftijdsgenoten, dat de aartsdiaken Sixtus zich over hem ontfermde en hem opleidde overeenkomstig de christelijke normen en waarden.
Toen Sixtus in 257 tot de Heilige Stoel verheven werd wijdde hij Laurentius tot “Aartsdiaken”, dus tot een der zeven meestvooraanstaande diakens van de Roomse Kerk. Hij diende niet slechts de paus aan het altaar, maar had ook de verantwoording over de kerkschatten en moest de aalmoezen onder de armen verdelen. Overeenkomstig het vervolgingsedikt van Keizer Valerianus in het jaar 257 moesten alle bisschoppen, priesters en diakens omgebracht worden.
Nadat de paus door de Romeinse keizer was omgebracht, wilde hij de kerkschatten confisceren. Laurentius zou de opdracht gekregen hebben, deze binnen drie dagen aan de Romeinen over te dragen. Daarop zou Laurentius alle rijkdommen van de kerk verdeeld hebben onder de noodlijdenden.
Toen de keizer de kerkschatten wilden zien, voerde Laurentius hen langs de armen, blinden, gehandicapten en zieken van de stad en gaf daarbij aan, dat dit de ware “schatten van de Kerk” zouden zijn.
Door deze misleiding voelde de keizer zich bespot en liet vervolgens een ijzeren rooster aanrukken, dat boven gloeiende kolen bevestigd werd.
Laurentius, die gedurende enige tijd op dit rooster gemarteld werd, zei op zeker moment tot een der beulsknechten:”Nu kun je mijn lichaam wel omdraaien, want aan deze kant is het voldoende gebraden.” Hij verdroeg de pijn zonder klagen, tot hij de geest gaf.

Hoewel dit een legende is, zou er best eens een kern van historische waarheid in kunnen schuilen; Laurentius was zoveel gelegen aan het welzijn van de minderbedeelden, dat hij zijn eigen leven ervoor in de waagschaal stelde. Gelijktijdig geeft het verhaal, waar het er voor de Kerk werkelijk op aan komt: niet het vergaren van rijkdommen, maar de dienst aan de mens. Laurentius is een voorbeeld voor deze houding.

Al aan het begin van de vierde eeuw behoorde deze heilige tot een der meest vereerde martelaren. Zijn graf in Rome werd een der meest bezochte bedevaartplaatsen.

Is het bij enkele van bovenstaande heiligen eenvoudig te verklaren, waarom zij worden vereerd als het om brandgevaar gaat, bij anderen is dit minder duidelijk.

Sint Wendelinus
Sint Wendelinus was een Schotse prins, die vroom opgevoed werd. De jongeman ondernam een pelgrimstocht naar Rome.
Slechts gekleed in pelgrimsgewaad kwam hij aan in het bisdom Trier. Hier leefde hij in asiel in een gesloten kloostergemeenschap, tot hij opgenomen werd in het “Stift” van Tholey.
Dit klooster, waar hij later zelfs abt werd, geldt als bakermat van de bisschoppen van Verdun. In het jaar 617 stierf hij; op het graf ontstond een bedevaartsoord en later de stad St. Wendel.
Van de vele wonderen, die hij als heilige voltrok, vertelt men het volgende: op 4 december 1417 dreigde een geweldige brand de stad Saarbrücken te vernietigen. Vele gebouwen lagen al in as en de nacht die weldra zou aanbreken vervulde de burgerij met nog meer angst. Vergeefs probeerde men het vuur onder controle te krijgen. Gravin Mechthildis, een vrome vrouw, nam met haar familie haar toevlucht tot St. Wendelinus. Ze beloofde jaarlijks een offer op zijn graf te brengen. En ziet, plotseling luwde het vuur; zelfs gebouwen die al in brand stonden en waardoor het vuur zou zijn overgeslagen naar de rest van de stad, bleven halfverbrand staan.

Sint Antonius (Abt)
De heilige Antonius werd in het jaar 251 in Keman in Egypte geboren.
Hij was een kind van rijke ouders. Tijdens de christenvervolging van 308 door Keizer Maximianus ging hij naar Alexandrië en sterkte daar de gevangen christenen. Daarna ging hij in de woestijn leven.
Als patroon beschermt hij huisdieren, in het bijzonder varkens. Borstelmakers, handschoenmakers, korfvlechters, slagers, pachters, varkenshoeders, doodgravers, wevers en banketbakkers hebben hem tot hun beschermheilige uitgeroepen.
In de iconografie wordt hij vaak afgebeeld met een varkentje, maar ook regelmatig met vlammetjes.

Ook hij wordt volgens een aantal bronnen aangeroepen tegen brandgevaar, maar ook tegen pest (“pestbrand”), besmettelijke ziekten en veeziekten.
Gezien echter het feit, dat het “Antoniusvuur” een ziekte is, zou het ook wel eens zo kunnen zijn, dat zijn beoogde bescherming tegen brandgevaar op een vergissing berust.

Theobald von Thann
Deze beschermheilige wordt genoemd in het boek van Medard Barth, “Groszbrände und Löschwesen des Elsasz”, Bühl 1974.
Over deze heilige zouden talrijke teksten over verrichte wonderen verschenen zijn, maar ik heb ze niet kunnen vinden.
Behalve op het gebied de Elzas hebben deze betrekking op de gebieden rondom de Noordzee en de Oostzee. Het is daarom niet zo verwonderlijk, dat hij aangeroepen wordt niet alleen bij brandgevaar, maar ook bij watersnood.

Sint Catharina van Siena
Patroonheilige voor hen die zich bezig houden met brandpreventie, volgens Engelse bronnen.

Catharina werd geboren in Siena in 1347. Haar vader hechtte eraan zijn kinderen in eer en deugd op te voeden. Haar moeder, Lapa, voelde een speciale affectie voor haar dochter.
Al op zeer jonge leeftijd trok Catharina zich terug uit de stad om in navolging van de kluizenaars te leven.
Na enige tijd keerde ze terug in het huis van haar vader, maar ze liet zich leiden door dezelfde geest. Tijdens haar vroege jeugd droeg ze haar maagdzijn op aan God d.m.v. een belofte.
Op twaalfjarige leeftijd overwogen haar ouders haar zich te laten verloven. Aanvankelijk smeekte Catharina er vergeefs om ongetrouwd te mogen blijven.
Haar ouders besloten haar van haar eenzaamheid af te brengen, door haar al het werk in het huis te laten verrichten, alsof ze een dienstbode was.
Tenslotte zwichtte haar vader voor haar geduld en ondersteunde zelfs haar toeweiding tot God. In 1365 ontving zij het habijt van de Derde Orde van St. Dominicus. Vanaf dat moment werd haar cel haar paradijs en het gebed haar element. Gedurende drie jaar sprak ze tot niemand, uitgezonderd God en haar biechtvader. Haar dagen en nachten werden gevuld met contemplatie; bovennatuurlijke lichten werden gezien.
In 1374 teisterde de pest het land. Catharina weidde zich aan het verzorgen en verplegen van de slachtoffers en bewerkstelligde ook de genezing van menig pestlijder. Duizenden kwamen samen om haar te horen of alleen maar te zien.
Terwijl zij in 1374 te Pisa verbleef, keerde het volk van Florence en Perugia, tesamen met een groot deel van de Toscane zich tegen de Heilige Stoel. Paus Grogorius XI, die in Avignon resideerde, onderwierp met behulp van een legermacht het diocees Florence. De regenten van Florence stuurden een afvaardiging naar Siena, om St.Catharina te smeken voor hen te bemiddelen.

De heilige arriveerde in 1376 in Avignon, waar zij door de Paus met respect ontvangen werd. Haar werk resulteerde in 1378 toen bereikt werd dat de paus veel toegaf ten aanzien van het onderworpen Florence.
Catharina haastte zich terug te trekken in eenzaamheid in Siena.
Wat haar vooral veel verdriet deed was de groot tweespalt in de Kerk die ontstond na de dood van Grogorius XI, toen Urbanus VI gekozen werd te Rome.
Catharina schreef hem en spoorde hem aan zijn hardheid, waardoor hij de mensen de Kerk uitdreef, te laten varen. Met succes, want de Paus ontbood haar bij zich.
Catharina liet ons behalve haar voorbeeldig leven een aantal geschreven bronnen na. Zij overleed te Rome op 29 april 1380.

Allerheiligen
In het artikel in Brabants Heem jaargang 41 nummer 1 geven J. van Mierlo en J.H.Winkelman aan, dat in de St.-Janskathedraal van Den Bosch afbeeldingen te vinden zijn van een heilige, die vooralsnog onbekend was. Deze heilige werd afgebeeld met onder meer een ijzeren haak, waarin twee ogen waren aangebracht, naar alle waarschijnlijkheid een brandhaak. In de linkerhand houdt de afgebeelde bisschop twee brandende huizen. Aanvankelijk werd gedacht, dat het hier wellicht zou gaan om St. Germain de Paris (St. Germain des Prés), waarover (volgens dit artikel) in de legende wordt verhaald, dat door zijn gebed de vlammen van een brandend huis doofden.
In hetzelfde artikel wordt vermeld, dat er onder de heiligen die als schutspatroon tegen brand werden vereerd, slechts één bisschop voorkomt, namelijk St. Germanus van Parijs. Naast Florianus van Lorch (Sankt Florian) noemen zij echter ook de diaken St. Vincentius van Zaragossa, wiens attribuut ook een brandhaak zou zijn.
Tevens wordt in dit artikel vermeld, dat ook aan Sint Martinus wonderbaarlijke brandblussingen worden toegeschreven.
In het vervolg van voornoemd artikel wordt tot de conclusie gekomen, dat de afgebeelde heilige bisschop Sint Brandaan moet zijn. Brandaan werd (misschien in samenhang met zijn naam) in verband gebracht met vuur en brand. In Noord-Duitsland wordt hij meestal afgebeeld met een kaars of met een fakkel. Een beeld uit Lübeck toont hem met een brandhaak met punt en weerhaak. Volgens de schrijvers is ook in Vlaanderen sinds het midden van de veertiende eeuw een Brandaanverering aantoonbaar, waarbij hij werd gezien als schutspatroon tegen brand. In een kerk te Brugge was een altaar gewijd aan Sint Anna en Sint Brandanus, waar gebeden aan gericht werden om van brand gespaard te blijven. Ook daar zijn afbeeldingen bekend van de heilige Brandanus, waar hij een brandhaak in de rechterhand houdt en een brandende kerk in de linkerhand. Onder een der afbeeldingen staat een gebed te lezen, waarin zijn voorspraak gevraagd wordt voor mensen, die door brand getroffen worden.

Daarmee is de lijst echter niet uitgeput.
In 1997 verscheen in “Devotionalia” een artikel waarin de Heilige Mamertus als beschermheilige tegen brand werd beschreven. Ook andere bronnen maken hier melding van en die hebben dan vooral betrekking op de streek ten zuiden van Lyon. Dit berust weer op het verhaal, dat toen de stad Vienne in de paasnacht van het jaar 452 door brand getroffen werd de gelovigen de kerk uitvluchtten om de brand te blussen, maar de priester (Mamertus) “vurig” bad dat God het vuur tijdig zou doven. Vrij spoedig daarna was de brand onder controle en toen de gelovigen terug de kerk binnenkwamen, ontdekten ze, dat niet hun bluswerk, maar het gebed van de priester de vlammen had doen doven en de ramp van de stad had afgewend.
Ook is er nog het verhaal over deze heilige, dat een stortvloed van zijn tranen eens een brand bluste.

De Heilige Vorles van Chatillon-sur-Seine, een priester uit de zesde eeuw wordt afgebeeld met een kelk, maar tevens met een kind, dat hij uit vlammen haalt. H. Amable de Riom, ook een Franse heilige, wordt afgebeeld met een huis dat in brand staat; de daarbij behorende legende heb ik nog niet kunnen achterhalen.
In een Spaans brandweerboek werd als patroonheilige van de brandweer aangegeven de Heilige Johannes Chrysostomos, terwijl diverse andere bronnen gewag maken van de Heilige Johannes de Doper als beschermheilige tegen brand. In Canada wordt de Heilige Johannes te Deo als patroon voor de brandweer vereerd. Drie verschillende heiligen met in principe dezelfde naam dus.
In het Franse tijdschrift “Sapeur Pompier” van dec. 1995 wordt bovendien aangegeven dat ook de Heilige Firminen de Heilige Nicolaas van Myra (onze “eigen” Sint Nicolaas) als zodanig vereerd worden en volgens andere Franse bronnen geldt dit ook voor St.Landry, St.Lugle, Eligius, Césaire d’Arles en Hyacinthus.

De verering van bepaalde heiligen als beschermheilige tegen brand is ongetwijfeld sterk streekgebonden.
Daarbij komt nog dat bepaalde kerken relikwieën van bepaalde heiligen bezaten, waardoor juist deze heilige op deze plaatsen bijzonder verering genoten. Niet zelden werden deze kerken (en de plaatsen daaromheen) bedevaartoorden, waardoor deze dorpen en steden en dus de parochies een nieuwe bron van inkomsten kregen.
In het bijgaand lijstje zult u nog andere namen aantreffen die in het bovenstaande niet werden genoemd. Ik vrees echter, dat ook dit lijstje niet volledig zal zijn.

Christelijke beschermheiligen tegen brandgevaar – een overzicht:
Antonius Abt “De Grote” – 17 januari
Anna, de moeder van Maria
Agatha – 5 februari
Amable de Riom – 11 juni
Barbara – 4 december
Brandaan – 16 mei
Catharina van Sienna – 29 april (brandpreventie)
Césaire d’Arles
Donatus (van Münstereiffel) – 7 augustus (onweer)
Eloi / Eligius – 1 december
Firmin (mogelijk gaat het hier om “koudvuur” (gangreen))
Florian – 4 mei
Germain de Paris – 28 mei
Hyacinthus – 17 augustus
Johannus Crysostomos
Johannus de Deo – 8 maart (Patroon van de brandweer in Canada)
Johannus de Doper
Johannus Chrisostomos
Landry
Laurentius – 10 augustus
Lidwina van Schiedam
Lugle
Mamertus – 11 mei
Marcellus (Patroonheilige van de brandweer in Portugal)
Martinus (van Tours) – 11 november
Nicolaas van Myra – 6 december
Theobald von Than
Vincentius van Zaragossa – 22 jan
Vorles(Chatillon-sur-Seine) – 16 juni
Wendelin – 20 okt

Overzicht uit ‘Heiligen van alle tijden / levens-legenden-iconografie’
door: Clemens Jöchle ( Uitgeverij Gooi en Sticht – Baarn 1995, ISBN 90-304-0765-4)

Achatius (Acacius, Akakios, Agatus) – 22 juni
In het klooster Engelberg werd het relikwie van Achatius in geval van brand aan het vuur voorgehouden, opdat de vlammen zouden doven.

Afra van Augsburg – 7 augustus
patronaat tegen BRAND

Agatha van Catania – 5 februari
patronaat tegen BRAND
Bijgeloof: * Agathakaarsen beschermen huisraad tegen brand
* Agathabrood helpt, in de vlammen gegooid, bij het bestrijden van brand
* Agathabriefjes met zegenformuleringen worden in het vuur gegooid om vlammen te doven

Alexius van Edessa – 17 juli
patronaat tegen ONWEER

Anna, de moeder van Maria – 26 juli
bescherming van huisraad
[volgens mondelinge overlevering directeur Museum voor Religieuze kunst in Uden – 1997 – wordt zij ook aangeroepen tegen BRANDGEVAAR]

Barbara – 4 december
patroon van de BRANDWEER

Bernard van Clervaux – 20 augustus
patronaat tegen ONWEER

Christophorus (Christoffel) – 24 juli
patronaat tegen ONWEER en tegen ELK GEVAAR

Clemens I van Rome – 23 november
patronaat tegen ONWEER

Eustachius (Eustathius, Theophistus, Agapitus) – 20 september
patroon van HELPERS IN DE NOOD

Florianus en zijn gezellen – 4 mei
patroonheilige van BRANDWEER, beschermer tegen VUUR en WATERSNOOD
Bijgeloof: * Op Floriaansdag mag geen vuur worden aangestoken en mag geen tabak worden gerookt;
* Is het op Floriaansdag helder, dan zullen er in dat jaar veel branden zijn.

Fridolin van Säckingen – 6 maart
beschermer tegen WATERSNOOD en VUUR

Genoveva van Parijs – 3 januari
beschermster tegen BRAND en tegen ongeluk

Helena (keizerin) – 18 augustus
beschermster tegen BLIKSEM en VUUR

Jodocus (Joos, Joost) (pelgrim) – 13 december
patroon tegen VUUR

Johannes de Evangelist (apostel) – 27 december
patroon tegen BRANDWONDEN

Johannes en Paulus van Rome – 26 juni
aangeroepen tegen BLIKSEM EN DONDER
Bijgeloof: * weerklokken met beeldtenis van J en P verdrijven bij het luiden onweer

Laurentius van Rome – 10 augustus
patroon van alle beroepen die met VUUR te maken hebben, waaronder BRANDWEERLIEDEN
Bijgeloof: * Op L-dag vergt het veel moeite om gewassen en aanplantingen voor brand te behoeden.
Volksgeneeskunst: L-zegen tegen brand en brandwonden

Maria Magdalena – 22 juli
beschermster tegen ONWEER

aartsengel Michaël
tegen ONWEER {vanwege het vlammende zwaard?}

Nicolaas van Myra – 6 december
patroon van BRANDWEERMANNEN en HELPERS IN DE NOOD

Nicolaas van Tolentijn – 10 september
tegen ONWEER
Bijgeloof: * een brand blijft beperkt als er Nicolaasbroodjes in de vlammen geworpen worden

Paulus (apostel) – 29 juni
aangeroepen tegen ONWEER OP ZEE

Petrus van Verona – 6 april
patroon tegen bliksem (Rome en Piacenza) en ONWEER

Scholastica – 10 februari
beschermt tegen BLIKSEM

Sebastiaan – 20 januari
patroon van de BRANDWEERLIEDEN

Thekla (de metgezellin van de apostel Paulus, martelares) – 23 september
beschermster tegen VUUR

Thomas van Aquino – 28 januari
helper tegen ONWEER

Vitus (Veit) – 15 juni
helper tegen BLIKSEM,ONWEER EN BRANDGEVAAR

WBH uitgavePublicatie Werkgroep Brandweerhistorie
In 2006 verscheen over dit onderwerp een publicatie van de Werkgroep Brandweerhistorie. Het boekje is verkrijgbaar voor € 7,50 (exclusief verzendkosten) bij HHS Uitgeverij, zie www.hhsuitgeverij.nl