nationaal brandweer documentatie centrum

Geschiedenis toeters en bellen

Knipperend, draaiend, maar in ieder geval flitsend: de geschiedenis van de toeters en bellen

pitWBH-logodoor Piet Hoving/Gerard Koppers/Peter Snellen/Ton Vesseur

gepubliceerd in de Eén-Eén-Twee van augustus 2006

Het eerste begin
Pioniers met toeters en bellen
Licht uit Amerika
Blauw blauw laten
Ontwikkeling in Nederland
Wettelijk geregeld
Discotheekverlichting
Bronnen

Met deze drie begrippen zou je natuurlijk kunnen volstaan wanneer de geschiedenis van de optische en geluidssignalen op brandweervoertuigen beschreven gaat worden. Toch waren in de loop van de jaren er nog heel wat variaties op het thema “zwaailicht” en “toeters en bellen”.

Het moet een spektakel geweest zijn om de rode brandweerwagens met bellende en roepende brandweermannen en lantaarns en fakkels te zien aankomen.

Het moet een spektakel geweest zijn om de rode brandweerwagens met bellende en roepende brandweermannen en lantaarns en fakkels te zien aankomen. Als weggebruiker van de negentiende eeuw maakte je wel dat je wegkwam.

Het eerste begin
De eerste brandweerwagens die zich met spoed door het (stads)verkeer moesten bewegen waren met paarden bespannen wagens. Zij zorgden voor extra aandacht van de andere weggebruikers door de (meestal rode) kleur van de wagen, een bel, veel geschreeuw en fakkels. Er waren ook proeven genomen met trompetten, maar op de hobbelige straten van toen was dat niet eenvoudig en er sneuvelden vele tanden.
Bij de opkomst van het gemotoriseerd verkeer in de eerste jaren van de twintigste eeuw begon ook de brandweer steeds vaker gebruik te maken van motorvoertuigen. Aanvankelijk waren deze voertuigen niet of nauwelijks voorzien van optische signalen. Er waren nog geen signalen die voorbehouden waren aan de brandweer en die door een hard en uitzonderlijk geluid de voertuigen moesten doen opvallen in het verkeer. Meestal werd gebruik gemaakt van een bel, die met behulp van een koord geluid kon worden, of van een gong, soms zelfs voor die tijd geavanceerde automatische gongs, waarvan de “ratelwekker” vooral in Duitsland nog tot in de late jaren ’50 op urgentievoertuigen was gemonteerd.
Ook in Nederland werd er geëxperimenteerd met elektrische bellen of gongen op de gemotoriseerde voertuigen. Deze elektrisch voortbewogen automobiel-koolzuurspuit van de Amsterdamse brandweer uit 1909 was met zo’n vervaarlijk apparaat uitgerust.
Ook in Nederland werd er geëxperimenteerd met elektrische bellen of gongen op de gemotoriseerde voertuigen. Deze elektrisch voortbewogen automobiel-koolzuurspuit van de Amsterdamse brandweer uit 1909 was met zo’n vervaarlijk apparaat uitgerust.

Ook in Nederland werd er geëxperimenteerd met elektrische bellen of gongen op de gemotoriseerde voertuigen. Deze elektrisch voortbewogen automobiel-koolzuurspuit van de Amsterdamse brandweer uit 1909 was met zo'n vervaarlijk apparaat uitgerust.

Ook in Nederland werd er geëxperimenteerd met elektrische bellen of gongen op de gemotoriseerde voertuigen. Deze elektrisch voortbewogen automobiel-koolzuurspuit van de Amsterdamse brandweer uit 1909 was met zo’n vervaarlijk apparaat uitgerust.

Het verkeer werd echter steeds drukker; en het was zaak dat brandweervoertuigen die zich naar een brand spoedden, toch duidelijk herkenbaar waren in dat drukke verkeer. Er werd hier en daar dan ook toe overgegaan de voertuigen te voorzien van optische signalen.
In sommige landen (Denemarken bijvoorbeeld) werden de brandweervoertuigen uitgerust met vlaggen. In andere landen kregen brandweerwagens een extra lamp, vaak voorzien van een rood glas. In latere uitvoeringen waren die lampen vaak knipperend uitgevoerd. Soms waren ze geïntegreerd in de sirene, waarmee uitrukkende voertuigen trachtten hun weg vrij te maken.

Pioniers met toeters en bellen
Vanaf het prille begin van de motorisering van de brandweer zien we op oude Franse afbeeldingen van brandweervoertuigen, dat ze waren uitgerust met een tweetonige hoorn. De luchtslangen (het waren immers pneumatische apparaten) en de hoorntjes zijn op die foto’s goed te zien. Op de foto van een “fourgon pompe automobile à pétrole” die stamt uit 1906 zijn die hoorns al duidelijk zichtbaar.
In het Duitse Chemnitz voerde de brandweer al in 1915 een tweetonige elektrisch-pneumatische signaalhoorn in van het fabrikaat Pfretschner & Martin in Markneukirchen, de voorloper van de later zo beroemde Deutsche Signal- und Instrumentenfabrik Max B. Martin KG in Philippsburg/Baden. Deze signaalhoorn gaf een korte lage en lange hoge toon.
Tien jaar later kreeg de 17. Zug (Spandau) in Berlijn een drietonige trompet, die samen met rode lantaarns gebruikt werd. De trompet werd binnen een paar jaar aangedreven met perslucht. Rond dezelfde tijd kreeg Leipzig druktoeters, zoals bij de politie daar in gebruik, alsmede een rood/witte richtingaanwijzer, die ‘s nachts verlicht werd en als herkenningteken werd gebruikt.
Zoals op vele plaatsen in de wereld werd met het toenemende verkeer de noodzaak tot betere zichtbaarheid duidelijker, waarop men in Duitsland de schijnwerpers voor op de auto’s bij uitrukken liet branden met een rood glas er voor. Er waren echter ook varianten met een blauw of groen glas, omdat rood verwarring kon scheppen bij de toen net geïntroduceerde verkeerslichten. Overigens, tot op de dag van vandaag wordt in Chicago (USA) het voeren van rode (bakboord) en groene (stuurboord) lampen voor op het brandweervoertuig toegepast.

Ook de brandweer in het bezette gebied had zich naar de Duitse voorschriften te voegen.

Ook de brandweer in het bezette gebied had zich naar de Duitse voorschriften te voegen. In de oorlog werden ook in Amsterdam de koplampen afgedekt en de schijnwerpers voorzien van blauwe voorzetglazen.

In 1937 werd in Duitsland in de verkeerswetgeving de bepaling opgenomen dat voor brandweer- en politievoertuigen ‘met bijzondere tekens’ vrij baan gemaakt moest worden. Die tekens zelf werden echter niet wettelijk vastgesteld. Als geluidssignalen dienden allerlei soorten bellen, trompetten, hoorns en elektrische of luchtsirenes. Bij besluit van 7 mei 1938 werden de optische en geluidssignalen voor brandweer en politie in het hele Duitse rijk vastgesteld. Als herkenningslicht fungeerden één of twee (kobalt)blauwe (schijnwerper)lampen en als geluidssignaal een tweetonige trompet of hoorn met de tonen a’ en d”. Dat waren precies de tonen die de elektrisch-pneumatische Martin-hoorns gaven. Ook een belgeluid met de toonhoogte h mocht worden gevoerd.

De sirene mét rode lamp kwam ook in Nederland hier en daar voor. Vooral bij de brandweerauto's die op Amerikaanse chassis gebouwd werden, waren ze nogal eens te vinden.

De sirene mét rode lamp kwam ook in Nederland hier en daar voor. Vooral bij de brandweerauto’s die op Amerikaanse chassis gebouwd werden, waren ze nogal eens te vinden.

Licht uit Amerika
De sirene mét rode lamp kwam ook in Nederland hier en daar voor. Vooral bij de brandweerauto’s die op Amerikaanse chassis gebouwd werden, waren ze nogal eens te vinden.
De sirene mét rode lamp kwam ook in Nederland hier en daar voor. Vooral bij de brandweerauto’s die op Amerikaanse chassis gebouwd werden, waren ze nogal eens te vinden.
In de jaren dertig kwam de firma Buckey Iron & Brass Works uit Dayton (Ohio) met een nieuwe uitvinding: de “Moto–Ray”, een schijnwerpertje op een voet, dat van links naar rechts draaide en zo ongeveer alle verkeer dat het brandweervoertuig van voren, of uit een zijstraat naderde, waarschuwde. Ook de Moto-Ray was voorzien van een gekleurd glas, meestal rood. Het is ons niet bekend of in Nederland brandweervoertuigen met dit soort signaallampen hebben rondgereden.
Dat was wel het geval met “The light from Mars” van de Mars Light Company uit Oak Parks, Illinois. Deze lamp wierp een – in de vorm van een 8 – bewegende lichtstraal naar voren en naar beide zijden van het uitrukkende voertuig. Daarmee was het de voorloper van de “Wigwag” die in de jaren negentig ook in Nederland regelmatig werd aangetroffen achter de voorruit van ambulances, om door middel van bewegende verlichting de voor het voertuig rijdende automobilist via zijn achteruitkijkspiegel te waarschuwen.

De Rotterdamse Ahrens-Foxen waren uitgerust met de roterende lampen. In de oorlog werden bovendien de koplampen afgedekt en de grote schijnwerper links voor voorzien van een blauw glas.

De Rotterdamse Ahrens-Foxen waren uitgerust met de roterende lampen. In de oorlog werden bovendien de koplampen afgedekt en de grote schijnwerper links voor voorzien van een blauw glas.

Opvallend is overigens, dat oorspronkelijk al deze signaalverlichting niet werd ontworpen voor urgentievoertuigen, maar voor…locomotieven. Ook nog in de jaren dertig kwam Buckey met de “Roto–Ray”. Het scheelde maar één letter met hun vorige product, maar het verschil in ontwerp was enorm. De Roto-Ray bestond uit drie separate (gekleurde) lampen, die door een motortje aangedreven ronddraaiden als een windmolentje. Zo ontstond er als het ware een bewegende cirkel van fel licht; nadeel: het licht schijnt maar één kant op, namelijk naar voren. Enkele (mogelijk alle) Ahrens-Foxen van Rotterdam waren van een dergelijk instrument is voorzien.
Lange tijd werden ze echter niet gebruikt, want in de jaren veertig kwam Federal met zijn Model 17, een echt zwaailicht, bestaande uit twee lampen met reflectoren, die onder een (witte of gekleurde) koepel ronddraaiden. Later – in de jaren ’50 – kwam hetzelfde bedrijf met een verbeterde versie op de markt, Model 173, die hetzelfde principe had, maar dan met drie lampen.

Blauw blauw laten
Inmiddels was in Europa de Tweede Wereldoorlog ten einde. De delen van Europa die door Duitsland bezet waren geweest, zijn onder invloed van de bezetting vaak doorgegaan met de door de Duitsers geïntroduceerde blauwe lichten. Blauw als de kleur van de politie (en de brandweer was in de Duitse organisatie een onderdeel van de politie) en blauw, omdat het vanuit de lucht minder goed zichtbaar was. Dat laatste was ongetwijfeld het hoofdargument om voor die kleur te kiezen, zo vlak voor de oorlog.

In het Duitse VW-museum staat nog een politie-Kever uit 1949, die rechts een gewone- en links een blauwe schijnwerper voert.

In het Duitse VW-museum staat nog een politie-Kever uit 1949, die rechts een gewone- en links een blauwe schijnwerper voert.

De voertuigen van de brandweer werden in de bezettingstijd uitgerust met één of twee blauwe lampen; meestal werd gebruik gemaakt van de zoekschijnwerper, die op ieder Duits brandweervoertuig aanwezig diende te zijn, waarvoor een blauwe doorschijnende schijf werd geplaatst.
Omdat een knipperend licht meer attentiewaarde zou hebben kwam In de vroege jaren vijftig de firma Auer met een apparaat, dat wel iets weg had van een petroleumlamp of van een vuurtorentje (overigens: het Franse woord voor zwaailicht is nog altijd “vuurtoren” of “baken”).

In die Auerlamp zat een blauwe, knipperende lamp, die naar alle zijden uitstraalde. Utrecht experimenteerde vanaf 1956 met deze Auerlampen op twee autospuiten, na het nodige overleg met de Rijksdienst voor het wegverkeer en Rijkswaterstaat; Eindhoven en Den Haag volgden al snel. Later kwamen er Auerlampen, die nog wat hoger waren (dubbelhoog uitgevoerd) voor gebruik op grotere voertuigen.

Op verschillende Nederlandse brandweervoertuigen werd al in de jaren '50 een 'vuurtorentje' gemonteerd. Vooral in de grote steden als Den Haag en Eindhoven zag men wel voordeel in het aandacht trekken door een blauwe knipperlamp.

Op verschillende Nederlandse brandweervoertuigen werd al in de jaren ’50 een ‘vuurtorentje’ gemonteerd. Vooral in de grote steden als Den Haag en Eindhoven zag men wel voordeel in het aandacht trekken door een blauwe knipperlamp.

De gloeilampen van die tijd waren echter niet goed bestand tegen het geknipper en het onderhoud was dan ook zeer prijzig. Overigens leken deze vuurtorentjes veel op de blauwe (niet-knipperende) lampen met vergrootlenzen, die al vanaf 1927 op de openbare brandmelders in Amsterdam waren gemonteerd.
De firma Bosch (al net zo Duits) kwam later met een variant, waarbij het knippereffect bereikt werd door het tijdelijk verduisteren met een roterend schermpje, waarna later weer dat roterende schermpje werd uitgerust met een holle spiegel om het lichteffect te vergroten.

Ontwikkeling in Nederland

Ook in Nederland werden de herkenbaarheid en zichtbaarheid van brandweermaterieel nagestreefd door het gebruik van de voertuigkleur rood (van helder rood tot zeer donker bordeauxrood en later ook nog fluorescerend rood of oranje) en de (al dan niet elektrische) bel. De verkeersregelgeving, die was opgenomen in de plaatselijke Algemene Politieverordeningen, gaf doorgaans wel aan, dat andere bestuurders politie en brandweer vrij baan moesten geven.

Vanaf 1930 werden alle eerstelijnsvoertuigen van de Amsterdamse brandweer voorzien van vervaarlijke sirene's, die tot aan 1961 in gebruik bleven.

Vanaf 1930 werden alle eerstelijnsvoertuigen van de Amsterdamse brandweer voorzien van vervaarlijke sirene’s, die tot aan 1961 in gebruik bleven.

In Amsterdam voldeed alleen de bel – die immers ook door trams gebruikt werd – al snel niet meer als enig signaal en na enige proeven in het voorjaar van 1930 werd daar met ingang 27 augustus 1930 een elektrische sirene op de brandweerauto’s gemonteerd, die – naar men meende – tot op 500 meter hoorbaar zou zijn. Deze sirenes mochten alleen op weg naar en terugkerende van brand worden gebruikt en waren vooral bedoeld om de politieagenten die het verkeer regelden, de tijd te geven vrij baan te laten maken voor de brandweer.
De sirene was de bekende huilsirene, die in Amerika al jaren gebruikt werd en via de internationale vakliteratuur tot de Amsterdamse brandweercommandant was doorgedrongen. Die had zeven jaar daarvoor ook al de eerste draagbare motorspuit uit Amerika laten komen. Ook de Duitsers ontdekten het gat in de markt en zo konden Nederlandse korpsen ook kiezen uit bijvoorbeeld de Lutz en de Elektor. De laatstgenoemde had een hoog geluid, de Lutz daarentegen juist een laag geluid, dat je pas hoorde wanneer het voertuig de kruising al gepasseerd was, omdat het zo langzaam op gang kwam.
De huilsirene vond snel navolging in andere gemeenten en was in de jaren vijftig gemeengoed geworden. Het onderscheid met de luchtalarmsirenes, die vanaf het einde van de jaren dertig werden ingevoerd, werd bereikt door het huilen sneller te laten plaatsvinden en de hogere toon. Bij de brandweer bleef daarnaast de (elektrische) bel in gebruik tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw.

Wettelijk geregeld
Omdat ook in Nederland het verkeer drukker werd, ontstond de behoefte om niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar de voorrangsvoertuigen te onderscheiden. Daartoe werd bij Koninklijk Besluit van 14 april 1960 bepaald, dat brandweervoertuigen hun dringende taak zichtbaar moesten maken met behulp van een blauwe knipper- of zwaailamp en een tweetonige hoorn en/of bel. Voor politievoertuigen werd een blauwe knipper- of zwaailamp en tweetonige hoorn voorgeschreven. Aan deze voertuigen moest het overige verkeer voorrang verlenen.

De fabrikanten en importeurs van tweetonige hoorns en zwaailampen adverteerden na het bekend worden van de wettelijke regelingen in 1960 volop in de Nederlandse brandweervakliteratuur.

De fabrikanten en importeurs van tweetonige hoorns en zwaailampen adverteerden na het bekend worden van de wettelijke regelingen in 1960 volop in de Nederlandse brandweervakliteratuur.

De keuze uit tweetonige hoorns was zeer ruim; soms werden de Duitse signalen gebruikt, geheel volgens de normen betreffende geluidssterkte (minimaal 110 Db) en toonhoogte gebouwd; maar ook de Italiaanse Fiammhoorn werd (door zijn eenvoudige uitvoering, lage prijs en simpele montage) veel gebruikt; importeur Jan Gast kreeg ze niet aangesleept. Ook vaak gebruikt werd de Marchal-Fulgor. De beroemde Martinhoorns (met hun fanfareachtige geluid) echter waren voor ons Nederlanders meestal te duur ; pas toen Bosch en Hella kwamen met hun “brandweerclaxons” (“Starktonhörner”) speelden de Duitse fabrikanten weer een hoofdrol op de Nederlandse markt.
Ziekenwagens (toen heetten die nog geen ambulances) mochten voorrang ‘vragen’ door het gebruik van een gele zwaai- of knipperlamp en een drietonige hoorn. In tegenstelling tot begrafenisstoeten en militaire colonnes hadden ziekenwagens geen voorrang. Die drietonige hoorn (als afwijkend geluidssignaal om voorrang te vragen) was dan weer uit Frankrijk gepikt. De meeste knipper- en zwaailampen in Nederland kwamen van Duitse fabrieken. Dat zat hem vooral in de prijs van de apparaten, die (onder meer door de dollarkoers) goedkoper was dan die van de Amerikaanse concurrenten. De voorrang voor ziekenwagens was echter (nog) niet verplicht! Later werd het begrip voorrangsvoertuigen geïntroduceerd, waarbij ook ambulances in die categorie kwamen, zij het dat daarvoor de drietonige hoorn gehandhaafd bleef.

Bij de introductie van de twin-sonic bakken liet ook de Amsterdamse Dienst Bescherming Bevolking een aantal op hun voertuigen installeren. Met name de ABC-dienst (tegenwoordig OGS/WVD) moest veelvuldig met de donkerblauwe auto's door het stadsverkeer zien te komen.

Bij de introductie van de twin-sonic bakken liet ook de Amsterdamse Dienst Bescherming Bevolking een aantal op hun voertuigen installeren. Met name de ABC-dienst (tegenwoordig OGS/WVD) moest veelvuldig met de donkerblauwe auto’s door het stadsverkeer zien te komen.

Discotheekverlichting

In de jaren zestig en zeventig volgden de ontwikkelingen vooral in Amerika elkaar razendsnel op. Mars kwam met een “Football-light”, een lamp die naar voor en achter (gekleurd) licht uitstraalde. In 1962 kwam de “Twin beacon ray”, twee zwaailampen op een imperiaal met daartussen één of twee luidsprekers; in 1968 kwam de “Twin Sonic”, een lichtbalk bestaande uit twee even grote rechthoekige transparante gekleurde balken op een imperiaal, waarin aan elke zijde twee (of soms drie) lampen met spiegels draaiden en waartussen een geluidsinstallatie (sirenegeluiden – yelp, whoop en warble zijn de Amerikaanse termen hiervoor – en luidsprekerset) gebouwd was.

Daar tussendoor was nog even de zwaailamp met “drie lenzen optiek” in de mode, een zwaailamp waarbij de lamp stilstond maar drie lenzen (vergrootglazen) rondom die lamp draaiden, waardoor het knipperend effect wordt verkregen, maar de lamp wel voortdurend zichtbaar bleef.

De stemlite-lichtmast werd ook gebruikt als (gele) waarschuwingslamp en kon na uitschuiven dienen als werkplekverlichting. De hulpverleningswagen van Diemen was er met één uitgerust. Voor de uitruk zelf koos men voor de twin-sonic bak.

De stemlite-lichtmast werd ook gebruikt als (gele) waarschuwingslamp en kon na uitschuiven dienen als werkplekverlichting. De hulpverleningswagen van Diemen was er met één uitgerust. Voor de uitruk zelf koos men voor de twin-sonic bak.

In de vroege jaren zeventig trof men ook regelmatig het zogenaamde “Stemlight” aan, een kolossaal zwaailicht, dat op een telescoopmast gebouwd was. Aan de onderzijde van de zwaailamp zaten werkplekschijnwerpers, die (wanneer de zwaailamp werd uitgeschoven) de omgeving van het voertuig konden verlichten. Het hoog geplaatste zwaailicht was al van verre te zien, waardoor er een duidelijke waarschuwingsfunctie vanuit ging. Ook in Nederland kwamen er steeds meer van die Amerikaanse varianten op de voorrangsvoertuigen.
Sinds kort zijn de flitsers in opkomst; energiezuiniger, dus accusparend. Grotere lichtopbrengst, dus ook bij zonnig weer een betere zichtbaarheid. Ze zijn er in alle soorten, van piepkleine halve bolletjes tot complete zwaailichtbalken, in aero-dynamische uitvoeringen en zo plat dat ze nauwelijks opvallen op het dak van een voertuig. De laatste trend op dit gebied is de led-verlichting. Aanvankelijk werd deze vooral toegepast in spiegels (als knipperlichten), maar ze zijn inmiddels ook al verkrijgbaar voor montage achter de grill, op de hoedenplank of zelfs in de zonneklep.

Op dit moment worden nieuwe studies verricht naar de beste manier om voorrangsvoertuigen te laten opvallen in het verkeer. Door de kleuren en striping zijn het al opvallende verschijningen, maar welke kerstboomverlichtingen en herrie er verder nodig is om de aandacht van de andere weggebruikers te krijgen, zal nog voor vele discussies zorgen.

Eisemann en Bosch waren - samen met Hella - tot ver in de jaren zeventig de belangrijkste leveranciers van optische- en geluidssignalen voor de brandweer in Nederland.

Eisemann en Bosch waren – samen met Hella – tot ver in de jaren zeventig de belangrijkste leveranciers van optische- en geluidssignalen voor de brandweer in Nederland.

Bronnen
– Geschichte des deutschen Feuerwehrfahrzeugbaus, Band 1 en 2, Manfred Gihl, Kohlhammer, Stuttgart, 2000,
– The American Ambulance 1900-2002, Walter M.P. McCall, Iconographics, Hudson – Wisconsin 2002.
– Algemeene Dagorder nr. 123 d.d. 25 augustus 1930 van Brandweer Amsterdam,
– Koninklijk Besluit van 14 april 1960 tot wijziging van het Koninklijk Besluit houdende vaststelling van nadere regelen ter uitvoering van artikel 45 der Wegenverkeerswet (Staatsblad 185).
– Diverse documenten uit het Nationaal Brandweer Documentatiecentrum (NBDC), waaronder::

1935 – Signaal van voertuigen van Politie of Brandweer
1943 – Akustische Warnzeichen und blaues Kennlicht für die Dienstfahrzeuge der Polizei
1952 – VFDB Zeitschrift – Warnung der Verkehrsteilnehmer durch Schallzeichen
1957 – VFDB Zeitschrift – Licht- und Schallkennzeichen für Feuerwehrfahrzeuge
1959 – VFDB Zeitschrift – Kennleuchten für blaues Blinklicht an Einsatzfahrzeugen