nationaal brandweer documentatie centrum

Een man van singulier vernuft

door F. Bonger †

vdheijde logoJAN VAN DER HEIDEN, van der Heide, van der Heyden, van der Heijde, het kwam er vóór het begin van de 19de eeuw niet zozeer op aan hoe de namen werden gespeld; eerst in de Napoleontische tijd bij de instelling van de Burgerlijke Stand werd een bepaalde spelling officieel geregistreerd en daarna was het wettelijk niet zo eenvoudig meer om de letters van een naam nog te veranderen. We zullen het maar verder houden op de spelling ‘van der Heiden’, zoals die voorkomt op het titelblad van zijn beroemde brandspuitenboek.

Een tijdgenoot noemde Van der Heiden “een man van singulier vernuft” en met deze betiteling sloeg hij de spijker op zijn kop, want deze kunstenaar was een uitzonderlijk veelzijdige en begaafd figuur, die zijn stad en eigenlijk het gehele mensdom onschatbare diensten heeft bewezen.
Uit roeping was hij tekenaar, graveur en glazenier; om op jongere leeftijd in zijn onderhoud te kunnen voorzien, heeft hij lijsten gemaakt; natuurkundige, technisch uitvinder, bouwkundige en brandbestrijder met groot organisatorisch vermoJan van der Heiden werd in 1637 te Gorinchem geboren. Toen hij 12 jaar was, verhuisde het gezin naar Amsterdam, waar hij – begrijpelijk – zijn verdere leven is blijven wonen. Omtrent zijn opleiding tasten wij in het duister, maar waarschijnlijk is hij hier ter stede leerling geweest van een glasschilder. Maar wij mogen wel aannemen, dat hij een uitgesproken voorbeeld is geweest van een autodidact, een veel voorkomend verschijnsel in zijn tijd.
vd Heijde op jonge leeftijdDoor de kunsthistorici wordt Van der Heiden beschouwd als één van de kleinere talenten van de Gouden Eeuw, dat wil zeggen in vergelijking met de talrijke geniale schilders uit zijn tijd, maar hij heeft toch verscheidene zeer fraaie doeken geproduceerd, die door de critici hoog worden gewaardeerd.
gen; het is de moeite waard om op deze talenten, kundigheden en functies eens wat dieper in te gaan.

Hij moet in zijn jongere leven nogal reislustig zijn geweest, want de kronieken vermelden bezoeken aan Brussel, Keulen, Xanten, Düsseldorf, de Middellandse Zee en vooral Londen, waar hij onder meer de Beurs en het monument ter nagedachtenis van de ‘Great Fire of 1666’ op het doek vereeuwigde. Een derde deel van Londen werd bij deze beruchte en relatief grootste catastrofe in de geschiedenis in de as gelegd en op Van der Heiden hebben deze ramp en de ervaringen in Amsterdam een dermate grote indruk gemaakt, dat zijn leven daarna een andere wending genomen heeft.
Het merendeel van zijn schilderijen bestaat uit stadsgezichten, enige landschappen en stillevens, en het zou me niet verwonderen als het bekendste portret van hem, kennelijk een gravure, door hem zelf was gemaakt. De kunsthistorici waren vroeger van mening dat de menselijke gestalten – de stoffage zijner schilderijen – door zijn beroemde tijdgenoot Adr. van der Velde zijn gemaakt, maar later is bewezen, dat ook deze details van zijn eigen hand waren.

vdeijden stadsgezichtDe stadsgezichten vallen op door prachtige architectonische verhoudingen; het detail is buitengewoon verzorgd en vooral de steenkleur is zeer fraai. De objecten zijn welgekozen en met veel liefde uitgewerkt. Het gezicht op de Oude Kerk vanaf de Oude Zijds Voorburgwal – in het bezit van het Mauritshuis – is een mooi specimen en het schilderij van de Martelaarsgracht en –sluis vóór de demping is van een treffende schoonheid. Het panorama van de Dam met links een gedeelte van het Stadhuis, de doorkijk in de Mozes- en Aäronstraat en de Nieuwe Kerk – aanwezig in het Rijksmuseum – is misschien wel het bekendste doek van Jan van der Heiden.
Zijn eigen stijl van schilderen was al op zijn dertigste jaar tot volle ontwikkeling gekomen; voor het tijdvak daarna hebben de kenners van de beeldende kunst niet veel belangstelling meer en dit is begrijpelijk, want langzamerhand concentreerde Van der Heiden’s belangstelling zich meer op een heel ander facet van zijn veelzijdigheid. De werktuigkundige in hem begon zich verder te ontwikkelen en op dit gebied is hij een man geworden van groot formaat aan wie, het zij nog eens herhaald, het mensdom veel verschuldigd is. Tot zijn uitvindingen behoort een moddermolen (baggermolen zouden we tegenwoordig zeggen), als ontdekking wel doelmatig maar door bepaalde omstandigheden uiteindelijk toch niet geheel geslaagd. Beter is het hem vergaan met de ingrijpende verbetering van de straatlantaarn; de stedelijke overheid was hiermee zéér ingenomen, zodat Amsterdam vanaf die tijd tot de letterlijk en figuurlijk best verlichte stad van Europa werd uitgeroepen. Als men beweert dat Van der Heiden de straatlantaarn eigenlijk niet heeft uitgevonden, dan is dit in eerste instantie juist, maar als een uitvinder een werktuig of toestel dermate heeft verbeterd, dat het eerst daarna goed bruikbaar wordt, dan mag men hem toch wel als de “uitvinder” betitelen. James Watt was in die zin de uitvinder van de stoommachine en George Stephenson de echte ontdekker van de bruikbare locomotief.

vd Heijde straatverlichtingOp deze manier moeten wij ook de brandspuit van Jan van der Heiden beschouwen; hij heeft deze machine zodanig geperfectioneerd, dat het zijn uitvinding is geworden.
De brandbestrijding met ‘menselijke emmer-kettingen’ heeft hem kennelijk geërgerd en ook de gebrekkige werking van het bakbeest van een oude brandspuit was hem een doorn in het oog. Als we Van der Heiden’s uitvindingen, blusmethoden en verdere vernuftige ontdekkingen op brandweergebied uiteenzetten, komt er een opmerkelijke opsomming aan het licht.
Het bakbeest van zijn voorgangers was een perspomp met twee cilinders, die wel een ononderbroken straaltje water kon produceren, dus er was een windketel ingebouwd, maar het zware toestel moest zonder wielen versleept en ook weer door mannetjes met emmertjes gevuld worden. De draaibare straalpijp stond in het midden van het apparaat en werd gericht op het brandende object, veelal vanaf een te ver verwijderd punt.

De verbeteringen die Van der Heiden aanbracht zijn in grotere trekken aldus op te noemen:
De dubbelwerkende zuig-perspomp met een verbeterde windketel, waardoor de atmosferische druk en waterhoeveelheid belangrijk konden worden opgevoerd;
vd Heijde slangspuitVerkleining van de machine waardoor het gewicht aanzienlijk werd gereduceerd en ten slotte de plaatsing op een wagentje, die maakte dat men de brand oneindig veel sneller kon bereiken zonder de tijdrovende paardentractie.
Maar zijn allergrootste ontdekking was de flexibele brandslang, oorspronkelijk van soepel leer vervaardigd, waardoor men de brand en vooral de vuurhaard van dichtbij en van alle kanten kon bestrijden. In het begin moest ook Van der Heiden’s spuit met emmers gevuld worden, vrij spoedig daarna construeerde hij de schraagpomp met buigbare zuigbuis, die voor de voeding van de eigenlijke brandspuit kon zorgen en werkte op open water, dat in Amsterdam nergens ver verwijderd werd aangetroffen.
Een latere vernuftige vinding van hem was het combineren of koppelen van bluspompen, waardoor hij tijdens een demonstratie op de Westermarkt zijn mannen in staat stelde boven de keizerskroon van de toren uit te spuiten. Wij kennen dit systeem van koppelen en aanjagen tot op de huidige dag. Ook het plaatsen van brandspuiten op een schip is aan zijn vindingrijkheid ontsproten en dit betekende de conceptie van de drijvende brandspuit waaraan de stad met zijn vele grachten en schepen zozeer behoefte had. Bijna twee eeuwen is er in wezen aan de slangenbrandspuit van Van der Heiden geen belangrijke verbetering aangebracht; eerst door de stoomspuit is hij langzamerhand verdrongen.

vd Heijde kaft Slang-brand-spuitenHet meest belangwekkende geschrift uit de geschiedenis van het brandbluswezen is van zijn eigen hand met medewerking van zijn zoon en draagt de titel: “Beschrijving der nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde SLANGBRAND-SPUITEN en haare wijze van BRAND-BLUSSEN, tegenwoordig binnen Amsterdam in gebruik zijnde behelzende wijders aanwijzing van ’t verschil tusschen haare uitwerking en die van d’oude Blus-gereetschappen en spuiten; zo uit de werktuigen zelve, als uit de blussing der Branden, welke binnen deeze Stad, onder het gebruik van beyde, zijn voorgevallen. Nevens Beschrijving der Brand-ordres van de Stad Amsterdam, door der zelver Inventeur Jan van der Heiden en Jan van der Heiden de Jonge, Generaale Brandmeesters der Stad Amsterdam.”
Dit, in de wandeling genoemd ‘Brandspuitenboek’, verlucht met uitzonderlijk fraaie en duidelijke gravures van hemzelf, opgedragen aan de vroede vaderen, munt uit door een helder betoog, waarbij hij ook de geldelijke schaden van een bepaalde periode nauwkeurig heeft opgetekend en becijferd en hiervoor was men in de ‘vermaarde koopstad’ wel zeer gevoelig.
Het boek had een meerledig doel. In de eerste plaats was het een rapport aan de Stedelijke overheid, handelende over de belangrijke branden gedurende een bepaald tijdvak, gelijk het jaarverslag van de Brandweer in die dagen en tevens een propaganda-geschrift, waarin hij zijn werktuigen met zijn nieuwe wijze van brandblussen aanprijst en de verkregen octrooien vertoont. Het verslag aan de Edele Groot Achtbare Heeren vangt aan met de volgende woorden:
“Hoe zelden het gebeurt, dat nieuwe Uitvindingen wel gelukken, is al de waerelt bekend en weinig te verwonderen. ’t Is bijna onmooglijk al hetgeen er toe vereischt word van vooren af te doorzien en uit te denken. Kleine omstandigheden konnen dikmaalt de geheelde Uitwerking bederven en ’t geen men onwrikbaar geloofd, omver werpen.”
en eindigt met de volzinnen:
“Om zoo veel reedenen, die uit zich zelve dit werk U Ed. Groot Achtbare toeeigenen, neemen we de vrijmoedigheit van het aan U Ed. Groot Achtb. met alle respect en eerbiedenis, op te draagen onder hoope dat u Ed. Groot Achtb. gelijk ze bij alle voorvallen de goedheit hebben van hun genoegen omtrent den welgelukten uitval deezer inventie, opentlijk te betuigen, ’t zelve ten goede en wijders in haare gunstige bescherming zullen neemen. God Almachtig biddende, dat hem genaadelijk believe Uwe voorneemens ten gemeenden beste overvloedig te zegenen, Uwe dierbaare Persoonen in zijne heilige hoede te nemen en lang een tijdelijke daarna eeuwige welstand te laten genieten, terwijl we voor altoos geheel-lijk zijn.
Jan van der Heiden en
Jan van der Heiden de Jonge.”

vd Heijde BrandmeesterHet klinkt allemaal stroperig en onderdanig, maar dat was volstrekt gebruik in die tijd, bovendien mogen we niet vergeten dat het College der Regeerende Burgemeesteren en Raaden der Stad Amsterdam binnen de Republiek der Vereenigde Nederlanden en elders uitzonderlijk belangrijk en machtig waren; men streed onafgebroken op minstens gelijk niveau met de Landsregering in Den Haag; men doet dit heden te dage nog, zij het helaas niet meer op hetzelfde niveau.

Dat de verdere steun en bewondering van het Stadsbestuur hem van stade kwam, bewijst de volgende historische bijzonderheid, die hier niet onvermeld mag blijven: Toen Stadhouder Willem de Derde in 1688 de Noordzee overstak om in Engeland tot koning gekroond te worden, vervoerde het schip een respectabel aantal spuiten uit de werkplaatsen van Van der Heiden. De Britten hadden een grote bewondering voor en behoefte aan zijn bluswerktuigen, want de Great Fire lag hun nog vers in het geheugen en aan organisatie en materieel ontbrak zo het een en ander.
In zijn verslagen van iedere brand wordt in eerste instantie altijd aandacht besteed aan het menselijk leed en de lijfelijke ongevallen; aan het slot becijfert hij de geldelijke schade.
Van der Heiden was een Menist, volgeling van Menno Simonsz, een Doopsgezinde zouden we tegenwoordig zeggen; eenvoud, bescheidenheid en verdraagzaamheid werden gepredikt. Op de titelplaat van zijn boek, waarop een grote demonstratie op de Dam wordt gehouden, zien we de hoogmogende stadsbestuurders op de voorgrond bij de blustoestellen; de auteur, tekenaar, uitvinder en Generale Brandmeester bevindt zich op de achtergrond.

vh heijde gevelsteenEnige onaanzienlijke straten in de Pijp zijn naar hem genoemd; de oude drijvende stoomspuit ‘de Jan’ was onooglijk, maar de nieuwe motor-blusboten, fraaie en slanke binnenvaartschepen met indrukwekkende pompvermogens, dragen zijn naam met ere.
Toch verdient het mijns inziens krachtige aanbeveling om in 2012, als wij zijn 275ste geboortedag (en 300-ste sterfdag) gedenken, wat meer (feestelijke) aandacht aan de persoon van Jan van der Heiden te besteden, want de stad dankt zijn grote traditie op het gebied der brandbestrijding voornamelijk aan deze singulier begaafde man.

Bron: Naderbericht, nr. 200, juni 1973, pag. 3-5